DE Ph-REGULATIE IN HET MENSELIJK ORGANISME
PH
Menselijk lichaam is in essentie een ‘oplossing’: we bestaan voornamelijk uit water en dit
geeft de mogelijkheid tot chemie
Menselijk lichaam is in essentie een ‘oplossing’: we bestaan voornamelijk uit water en dit
geeft de mogelijkheid tot chemie
• zuur: stof geeft H+ af aan een oplossing
waterstofion = enkel een proton waterstofion = proton
‘zuren’ = ‘protondonoren’
sterk zuur: volledige splitsing (dissociatie) in oplossing
HCl H+ + Cl-
• base: stof neemt H+ op uit een oplossing EN geeft OH- af aan een oplossing
hydroxide-ion
sterke base: volledige dissociatie
NaOH Na+ + OH-
OH- heeft sterke affiniteit voor H+ vormen water (H2O)
• zwakke zuren en basen: dissociëren niet volledig gaan splisten ifv chemisch pH-
evenwicht = neutralisatie!
• zout:
geeft kation (x+) af dat geen waterstof-ion is (H+) – of –
geeft anion (y-) af dat geen hydroxide-ion is (OH-)
veranderen de pH-schaal dus niet rechtstreeks (want geen H+ of OH-)
zout reageert met water in ‘hydrolysis’ (oplossen in water) met vorming:
• zout-H3O+ (opname extra H+ uit omgevingswater) of
• zout-OH- (afgifte H+ naar omgevingswater)
• hierdoor toch enig effect op de pH-schaal
1
, PH-SCHAAL
• eenheid waarmee we de zuurtegraad van een oplossing beschrijven
een maat voor de vrije waterstof (H+)-ionen concentratie in die oplossing
• neutrale oplossing: evenveel H+-ionen als hydroxide (OH-)-ionen
dit is het geval in water: proeft neutraal
• zure/acide oplossing: méér H+-ionen dan OH—ionen
• basische/alkalische oplossing: méér OH—ionen dan H+-ionen
• in fysiologische oplossingen ligt de [H+] steeds relatief laag, d.w.z. steeds kleiner dan
1/10 mol/liter = 10-1 mol/liter
Voor plasma bv. is dit kleiner dan 1/10.000.000 mol/L of 10 –7 mol/liter
• vandaar dat men zocht naar een werkbaar getal: het negatieve logaritme van de
+ +
[H ] = -log[H ]
neem de exponent van de 10de macht en maakt die positief
• Het is belangrijk te zien dat hoe kleiner de [H+] is, hoe minder zuur dus, hoe groter de
negatieve exponent van de 10de macht (want grotere noemer in breuk), dus hoe
groter (hoger) de pH.
• Een hoger cijfer van pH betekent dus minder zuur, een lager cijfer betekent een
zuurdere oplossing.
pH 1: is 1/10 mol H+-ionen /L (is 10-1 mol/liter) is 100 maal zuurder dan pH 3 die
overeenkomt met 1/1000 mol H+-ionen /L (is 10-3 mol/liter)
NORMALE WAARDEN VD PH
• pH van plasma moet liggen tussen 7,35 en 7,45
• bij pH van het plasma < 7,35 spreekt men van verzuring of acidose
• bij pH van het plasma > 7,45 spreekt men van alkalose
DE PH-REGULATIE
• Het is belangrijk dat de pH van het plasma (en daarmee ook die van het weefselvocht
en het intra-cellulair milieu) zo constant mogelijk blijft
• Om dit te bekomen bestaan er:
• 1. Buffersystemen
vangen kleine stoornissen in het evenwicht op
2
PH
Menselijk lichaam is in essentie een ‘oplossing’: we bestaan voornamelijk uit water en dit
geeft de mogelijkheid tot chemie
Menselijk lichaam is in essentie een ‘oplossing’: we bestaan voornamelijk uit water en dit
geeft de mogelijkheid tot chemie
• zuur: stof geeft H+ af aan een oplossing
waterstofion = enkel een proton waterstofion = proton
‘zuren’ = ‘protondonoren’
sterk zuur: volledige splitsing (dissociatie) in oplossing
HCl H+ + Cl-
• base: stof neemt H+ op uit een oplossing EN geeft OH- af aan een oplossing
hydroxide-ion
sterke base: volledige dissociatie
NaOH Na+ + OH-
OH- heeft sterke affiniteit voor H+ vormen water (H2O)
• zwakke zuren en basen: dissociëren niet volledig gaan splisten ifv chemisch pH-
evenwicht = neutralisatie!
• zout:
geeft kation (x+) af dat geen waterstof-ion is (H+) – of –
geeft anion (y-) af dat geen hydroxide-ion is (OH-)
veranderen de pH-schaal dus niet rechtstreeks (want geen H+ of OH-)
zout reageert met water in ‘hydrolysis’ (oplossen in water) met vorming:
• zout-H3O+ (opname extra H+ uit omgevingswater) of
• zout-OH- (afgifte H+ naar omgevingswater)
• hierdoor toch enig effect op de pH-schaal
1
, PH-SCHAAL
• eenheid waarmee we de zuurtegraad van een oplossing beschrijven
een maat voor de vrije waterstof (H+)-ionen concentratie in die oplossing
• neutrale oplossing: evenveel H+-ionen als hydroxide (OH-)-ionen
dit is het geval in water: proeft neutraal
• zure/acide oplossing: méér H+-ionen dan OH—ionen
• basische/alkalische oplossing: méér OH—ionen dan H+-ionen
• in fysiologische oplossingen ligt de [H+] steeds relatief laag, d.w.z. steeds kleiner dan
1/10 mol/liter = 10-1 mol/liter
Voor plasma bv. is dit kleiner dan 1/10.000.000 mol/L of 10 –7 mol/liter
• vandaar dat men zocht naar een werkbaar getal: het negatieve logaritme van de
+ +
[H ] = -log[H ]
neem de exponent van de 10de macht en maakt die positief
• Het is belangrijk te zien dat hoe kleiner de [H+] is, hoe minder zuur dus, hoe groter de
negatieve exponent van de 10de macht (want grotere noemer in breuk), dus hoe
groter (hoger) de pH.
• Een hoger cijfer van pH betekent dus minder zuur, een lager cijfer betekent een
zuurdere oplossing.
pH 1: is 1/10 mol H+-ionen /L (is 10-1 mol/liter) is 100 maal zuurder dan pH 3 die
overeenkomt met 1/1000 mol H+-ionen /L (is 10-3 mol/liter)
NORMALE WAARDEN VD PH
• pH van plasma moet liggen tussen 7,35 en 7,45
• bij pH van het plasma < 7,35 spreekt men van verzuring of acidose
• bij pH van het plasma > 7,45 spreekt men van alkalose
DE PH-REGULATIE
• Het is belangrijk dat de pH van het plasma (en daarmee ook die van het weefselvocht
en het intra-cellulair milieu) zo constant mogelijk blijft
• Om dit te bekomen bestaan er:
• 1. Buffersystemen
vangen kleine stoornissen in het evenwicht op
2