De student kan de formules om de oppervlakte en het volume van de kubus, balk en cilinder te
berekenen toepassen.
De student kan de didactische opbouw om de formules om de oppervlakte en het volume van de
kubus, balk en cilinder te berekenen schetsen.
oppervlakte
- Leg een balk op een blad papier en teken de omtrek van het grondvlak.
- Kantel de balk naar rechts zodat die op het zijvlak staat en overtrek het zijvlak opnieuw. Ga
zo verder tot je alle zijvlakken getekend hebt. Op het blad zie je nu de ontvouwing van de
balk.
- Laat de leerlingen ontdekken en verwoorden dat de vlakken steeds twee aan twee gelijk zijn.
Geef hen enkele balkvormige dozen om dat te laten controleren
Volume
- Toon een doos gevuld met suikerklontjes.
- Welke vorm heeft de doos?
- Hoe kom ik te weten hoeveel suikerklontjes er in de doos passen? (je kunt de suikerklontjes
tellen)
- Kun je het aantal suikerklontjes ook sneller bepalen? (aantal klontjes op één laag tellen en
kijken hoeveel lagen er zijn → vermenigvuldigen)
- Wat bedek je als je de bodem van de doos met suikerklontjes bedekt? (de oppervlakte van
het grondvlak)
- Welke vorm heeft het grondvlak? (rechthoek → lengte x breedte)
- Hoe bepaal je het aantal suikerklontjes op de bodem van de doos? (je telt het aantal klontjes
op 1 rij x het aantal rijen)
- Aantal suikerklontjes in de doos? (aantal suikerklontjes op één laag x aantal lagen)
- Wat heb je berekend door het aantal lagen te tellen? (de hoogte van de balk)
berekenen toepassen.
De student kan de didactische opbouw om de formules om de oppervlakte en het volume van de
kubus, balk en cilinder te berekenen schetsen.
oppervlakte
- Leg een balk op een blad papier en teken de omtrek van het grondvlak.
- Kantel de balk naar rechts zodat die op het zijvlak staat en overtrek het zijvlak opnieuw. Ga
zo verder tot je alle zijvlakken getekend hebt. Op het blad zie je nu de ontvouwing van de
balk.
- Laat de leerlingen ontdekken en verwoorden dat de vlakken steeds twee aan twee gelijk zijn.
Geef hen enkele balkvormige dozen om dat te laten controleren
Volume
- Toon een doos gevuld met suikerklontjes.
- Welke vorm heeft de doos?
- Hoe kom ik te weten hoeveel suikerklontjes er in de doos passen? (je kunt de suikerklontjes
tellen)
- Kun je het aantal suikerklontjes ook sneller bepalen? (aantal klontjes op één laag tellen en
kijken hoeveel lagen er zijn → vermenigvuldigen)
- Wat bedek je als je de bodem van de doos met suikerklontjes bedekt? (de oppervlakte van
het grondvlak)
- Welke vorm heeft het grondvlak? (rechthoek → lengte x breedte)
- Hoe bepaal je het aantal suikerklontjes op de bodem van de doos? (je telt het aantal klontjes
op 1 rij x het aantal rijen)
- Aantal suikerklontjes in de doos? (aantal suikerklontjes op één laag x aantal lagen)
- Wat heb je berekend door het aantal lagen te tellen? (de hoogte van de balk)