De verschillende leertheorieën en bijbehorende concepten benoemen en in eigen woorden
uitleggen.
- Behaviorisme: observeerden objectief waarneembaar gedrag. De innerlijke denkprocessen
werden door hen buiten beschouwing gelaten wegens niet objectief observeerbaar. Het
behaviorisme is gebaseerd op gedragsverandering door prikkels van buitenaf en is bekend
van de experimenten met dieren. Twee leervormen staan centraal: klassieke en operante
conditionering. Focussen op gedrag = leren gebeurd op passief leren.
1. Klassieke conditionering
1.1. Bv. pavlov – honden
= nieuwe prikkel (stimulans) wordt aan een bestaande prikkel gekoppeld/toegevoegd die een
bepaald gedrag uitlokt.
= geen nieuw gedrag aanleren, maar reageren op nieuwe prikkel, nieuwe reflex aanleren.
2. Operante conditionering = spontaan gedrag
2.1. Skinner
= gedrag beïnvloeden of veranderen via belonen en straffen
Gedrag bekrachtigen/belonen = herhaling
Gedrag neemt afstraffen
Belonen = effectiever
- Cognitivisme: is een leertheorie die zich vooral bezighoudt met de mens als
informatieverwerkend individu, waarin de werking van het geheugen centraal staat. Het
individu reageert niet alleen meer op ‘stimuli’, maar er gaan ook processen in zijn hoofd om
die los staan van wat er buiten hem gebeurd. Uitzoeken hoe onze hersenen/geheugen
werken. Cognitivisme is een reactie op behaviorisme.
o MILLER
Leren is gemakkelijker als je er een betekenis aan kan geven.
Informatie wordt sneller opgenomen als deze beter gestructureerd is.
Chunks: in hokjes zetten om te kunnen onthouden
o BRUNER
Grondlegger bij cognitivisme
Hoort ook bij constructivisme
Zelf ontdekkend leren
Mensen moeten leren probleemoplossend denken en verbindingen leren
maken.
Spiral curriculum: herhaling is heel belangrijk, elementen opnieuw aanbod
laten komen, maar wel telkens een trapje omhoog laten gaan.
Guided discovery: de leerkracht moet alles starten (concrete materialen
geven, …) en daarna kunnen de leerlingen zelf nog verder leren.
Forms of Representation: Concreet schematisch abstract
uitleggen.
- Behaviorisme: observeerden objectief waarneembaar gedrag. De innerlijke denkprocessen
werden door hen buiten beschouwing gelaten wegens niet objectief observeerbaar. Het
behaviorisme is gebaseerd op gedragsverandering door prikkels van buitenaf en is bekend
van de experimenten met dieren. Twee leervormen staan centraal: klassieke en operante
conditionering. Focussen op gedrag = leren gebeurd op passief leren.
1. Klassieke conditionering
1.1. Bv. pavlov – honden
= nieuwe prikkel (stimulans) wordt aan een bestaande prikkel gekoppeld/toegevoegd die een
bepaald gedrag uitlokt.
= geen nieuw gedrag aanleren, maar reageren op nieuwe prikkel, nieuwe reflex aanleren.
2. Operante conditionering = spontaan gedrag
2.1. Skinner
= gedrag beïnvloeden of veranderen via belonen en straffen
Gedrag bekrachtigen/belonen = herhaling
Gedrag neemt afstraffen
Belonen = effectiever
- Cognitivisme: is een leertheorie die zich vooral bezighoudt met de mens als
informatieverwerkend individu, waarin de werking van het geheugen centraal staat. Het
individu reageert niet alleen meer op ‘stimuli’, maar er gaan ook processen in zijn hoofd om
die los staan van wat er buiten hem gebeurd. Uitzoeken hoe onze hersenen/geheugen
werken. Cognitivisme is een reactie op behaviorisme.
o MILLER
Leren is gemakkelijker als je er een betekenis aan kan geven.
Informatie wordt sneller opgenomen als deze beter gestructureerd is.
Chunks: in hokjes zetten om te kunnen onthouden
o BRUNER
Grondlegger bij cognitivisme
Hoort ook bij constructivisme
Zelf ontdekkend leren
Mensen moeten leren probleemoplossend denken en verbindingen leren
maken.
Spiral curriculum: herhaling is heel belangrijk, elementen opnieuw aanbod
laten komen, maar wel telkens een trapje omhoog laten gaan.
Guided discovery: de leerkracht moet alles starten (concrete materialen
geven, …) en daarna kunnen de leerlingen zelf nog verder leren.
Forms of Representation: Concreet schematisch abstract