Politicologie: ideologieën
Liberalisme
Kernidee: de menselijke vrijheid is het hoogste goed. De overheid dient dit goed te
beschermen.
o Ontstaan tijdens de aanloop van de Franse Revolutie: menselijke vrijheid was toen
absoluut niet vanzelfsprekend (respect voor orde en hiërarchie werd toen als veel
belangrijker gezien dan individuele vrijheid)
o Optimistisch mensbeeld: men gaat er vanuit dat vrijheid waardevol is, dat mensen
vrijheid aankunnen en op rationele wijze zullen gebruiken.
Politiek liberalisme: de overheid ontvangt slechts die hoeveelheid macht die burgers in de
vorm van een sociaal contract wensen af te staan. Daarnaast dient de overheid
representatief te zijn voor de opvattingen van de burgers.
o Individuele vrijheid is de norm, godsdiensten mogen ingeperkt worden als ze een
bedreiging vormen voor de openbare orde.
o Grondlegger: John Locke
Economisch liberalisme: de vrijheid van economische actoren, zoals ondernemers, moet niet
al te zeer ingeperkt worden. de overheid moet zich hier steeds terughoudend over opstellen.
o Vrijheid van ondernemen staat voorop, inclusief de daarbij behorende economische
ongelijkheid.
o Grondlegger: Adam Smith
o Als iedereen streeft naar het eigenbelang, levert dit automatisch ook het beste
resultaat voor de samenleving als geheel. De overheid hoeft hierin geen rol te spelen,
dit gebeurt door middel van een “onzichtbare hand”: in praktijk komt dit neer op een
marktmechanisme.
o Vrije markt: vraag en aanbod houden elkaar in evenwicht, laissez-faire-overheid: elk
marktoptreden van de overheid kan marktfalen als gevolg hebben.
o Nachtwakerstaat: extreme opvatting uit de 19 e eeuw: vrijheid van ondernemen
houdt ook in dat ondernemers en arbeiders op de vrije markt met elkaar contracten
konden afsluiten, zonder enige vorm van regulering. Elke vorm van sociale
bescherming werd beschouwd als een verstoring van de vrije arbeidsmarkt. De
overheid bemoeit zich zo weinig mogelijk met het openbare leven en treedt alleen
op als dit noodzakelijk is.
Links-liberalisme: zij die het filosofisch liberalisme volgen maar die geneigd zijn de
verzorgingsstaat en de daarbij behorende zorg voor sociale gelijkheid te accepteren.
Conservatief liberalisme: een grotere nadruk op het economisch liberalisme, waarbij de
vrijheid van ondernemen centraal staat.
o Sinds de financiële crisis van 2008 zijn er nog maar weinig economen die gewonnen
zijn voor een volledige afwezigheid van de staat in het economisch leven.
Conservatisme
Conservatieven zijn geneigd de menselijke zwakheid te benadrukken: als je mensen te veel
vrijheid geeft, leidt dat slechts tot normverval en sociale desintegratie.
Conservatieven geloven in de kracht van tradities: het is gevaarlijk deze zomaar los te laten.
Vaak religieuze agenda: godsdienst kan gebruikt worden tradities te legitimeren en te
bestendigen.
Liberalisme
Kernidee: de menselijke vrijheid is het hoogste goed. De overheid dient dit goed te
beschermen.
o Ontstaan tijdens de aanloop van de Franse Revolutie: menselijke vrijheid was toen
absoluut niet vanzelfsprekend (respect voor orde en hiërarchie werd toen als veel
belangrijker gezien dan individuele vrijheid)
o Optimistisch mensbeeld: men gaat er vanuit dat vrijheid waardevol is, dat mensen
vrijheid aankunnen en op rationele wijze zullen gebruiken.
Politiek liberalisme: de overheid ontvangt slechts die hoeveelheid macht die burgers in de
vorm van een sociaal contract wensen af te staan. Daarnaast dient de overheid
representatief te zijn voor de opvattingen van de burgers.
o Individuele vrijheid is de norm, godsdiensten mogen ingeperkt worden als ze een
bedreiging vormen voor de openbare orde.
o Grondlegger: John Locke
Economisch liberalisme: de vrijheid van economische actoren, zoals ondernemers, moet niet
al te zeer ingeperkt worden. de overheid moet zich hier steeds terughoudend over opstellen.
o Vrijheid van ondernemen staat voorop, inclusief de daarbij behorende economische
ongelijkheid.
o Grondlegger: Adam Smith
o Als iedereen streeft naar het eigenbelang, levert dit automatisch ook het beste
resultaat voor de samenleving als geheel. De overheid hoeft hierin geen rol te spelen,
dit gebeurt door middel van een “onzichtbare hand”: in praktijk komt dit neer op een
marktmechanisme.
o Vrije markt: vraag en aanbod houden elkaar in evenwicht, laissez-faire-overheid: elk
marktoptreden van de overheid kan marktfalen als gevolg hebben.
o Nachtwakerstaat: extreme opvatting uit de 19 e eeuw: vrijheid van ondernemen
houdt ook in dat ondernemers en arbeiders op de vrije markt met elkaar contracten
konden afsluiten, zonder enige vorm van regulering. Elke vorm van sociale
bescherming werd beschouwd als een verstoring van de vrije arbeidsmarkt. De
overheid bemoeit zich zo weinig mogelijk met het openbare leven en treedt alleen
op als dit noodzakelijk is.
Links-liberalisme: zij die het filosofisch liberalisme volgen maar die geneigd zijn de
verzorgingsstaat en de daarbij behorende zorg voor sociale gelijkheid te accepteren.
Conservatief liberalisme: een grotere nadruk op het economisch liberalisme, waarbij de
vrijheid van ondernemen centraal staat.
o Sinds de financiële crisis van 2008 zijn er nog maar weinig economen die gewonnen
zijn voor een volledige afwezigheid van de staat in het economisch leven.
Conservatisme
Conservatieven zijn geneigd de menselijke zwakheid te benadrukken: als je mensen te veel
vrijheid geeft, leidt dat slechts tot normverval en sociale desintegratie.
Conservatieven geloven in de kracht van tradities: het is gevaarlijk deze zomaar los te laten.
Vaak religieuze agenda: godsdienst kan gebruikt worden tradities te legitimeren en te
bestendigen.