DEEL 2: leerpsychologie
Inleiding
o !!! doelstellingen + verwerkingsopdrachten bekijken !!!
o ‘leren’ -> evolueert mee met de ontwikkeling i/d psychologie
o Leerprocessen kunnen hiërarchisch en evolutionair geordend worden volgens
moderne leerpsychologen
o Indeling (van laag -> hoog)
Gewenningsleren (habituatie) en sensitisatie
Associatieleren
Reflex (S-R schema) = grondmodel v/h gedrag
Fysieke prikkel = S
Fysiologische reactie = R
Betreft zowel het klassiek als het opperante leren
Cognitief of symbolisch leren
o Samenvattend:
Door herhaaldelijke ervaring met gelijkaardige situaties, vormt zich i/h
organisme een spoor. Hierdoor worden de gedragingen in die situaties
structureel gewijzigd.
1. Gewenningsleren: habituatie en
sensitisatie
o Dagelijks leven = voortdurend prikkels / stimuli (S) op ons af
o Aandacht aan alle prikkels = onmogelijk
Dus: een organisme gaat deze automatisch selecteren op relevantie
1.1. Habituatie
o Leren kan optreden -> herhaaldelijk dezelfde prikkels te krijgen
We leren een geberutenis herkennen
o Wanneer een gebeurtenis geen noemswaardige gevolgen (meer) heeft -> kan
gewenning of habituatie optreden
Habituatie = het uitdoven van een aanvankelijke reactie op een prikkel
o Voorwaarde ! Prikkel mag niet veranderen
o Vb. je komt ergens binnen riekt de koffiegeur, na enkele minuten treed er gewenning
op en valt de koffiegeur je niet meer op
o Het is een aangeboren leerproces (baby’s kunnen het direct)
o Traag habituerende mensen -> schrikachtige mensen
o Snel habituerende mensen -> raken sneller verveeld
Vb. mensen met autisme -> vaak slecht habitueren -> (prikkel die vaak
terugkomt blijft als ‘nieuw’ beschouwd worden -> veel schrik
10
MVW
,Psychologie deel 2
1.2. Sensitisatie
o = het tegenovergestelde van habituatie
o = het (geleidelijk) gevoeliger worden voor een prikkel
Gebeurtenis bij herhaling met relevante gevolgen = interessant -> reageren
we er versterkt op
o Habituatie en sensitisatie verwijzen naar de fysiologische verwerking van zintuigelijke
prikkels (licht, temperatuur, …) i/h centrale zenuwstelsel
2. Associatieve leertheorieën
Inleiding
o Leertheorieën van Pavlov, Thornsike en Skinner
Experimenten op dieren -> mensen
o Zij gaan ervan uit dat dieren en mensen op basis van ervaringen verbindingen leggen
tussen fysische prikkels (S) en bepaald gedrag (R)
o S Rc C
2.1. Klassieke conditionering (Pavlov)
2.1.1. Omschrijving
o Ivan Petrovich Pavlov = een Russische fysioloog -> bekend: studies over reflexmatig
gedrag
Nobelprijs geneeskunde -> fysiologie v/h spijsverteringsstelsel bij honden
o Zijn meeste experimenten -> honden
Droegen bij tot het ontstaan v/h behaviorisme
o Speekselreactie bij hongen
Vlees op de tong = niet-aangeleerde / ongeconditioneerde
(onvoorwaardelijke) reactie
Voedsel zien = aangeleerde / geconditioneerde (voorwaardelijke) reactie
o SR
2.1.2. Schematische bespreking van een klassieke
conditioneringsproef
2.1.2.1. Verloop v/h experiment
o Bij het toedienen van het voedsel is er een objectief geluid (bel)
o Beginsituatie: voor het leren :
Hond kan voedsel niet zien -> hoort wel bel (= neutrale stimulus)
Onvoorwaardelijke stimulus (OVS) = het voedsel op de tong
Belgeluid -> geen specifieke reactie (hoofd kantelen)
= oriënteringsreflexen
Onvoorwaardelijkse respons (OVR) = op het voedsel volgt een speekselreactie
o Het leerproces:
na een aantal aanbiedingen v/h belgeluid met daarop volgend eten -> hond
zal al speeksel uitscheiden bij het horen v/d bel
speeksel uitscheiden = voorwaardelijke/geconditioneerde reactie (VR)
de bel = voorwaardelijke/geconditioneerde stimulus (VS)
11
MVW
, Psychologie deel 2
2.1.2.2. Schematische voorstelling v/d procedure
2.1.2.3. Schematische voorstelling v/h klassieke leer- of
conditioneringsproces
niet
VS geleerd Oriënteringsrefl
ex
geleer
OVS. d
OVR wordt VR
niet
geleerd
2.1.2.4. Resultaten
o De grootte stijgt en latentietijd (= tijd tussen toedienen prikkel en uitvoering reactie)
daalt
o Na een tijd bereikt de conditionering haar maximumeffect
2.1.2.5. Toepassingen (i/h dagelijkse leven)
o Bij reclame:
Product (VS) wordt gekoppeld aan onvoorwaardelijke stimuli die positieven
gevoelens uitlokken (zoals baby’s, schattige dieren, …)
Bedoeling: de gevoelens (OVR) overgezet worden en ze het product kopen
2.1.3. Kenmerken van een klassieke conditionering of
respondent leren
o Het leerproces is een prikkelsubstitutie op basis van contiguïteit (= het in samenhang
zijn met elkaar):
Hond gaat op de VS reageren (= VR) zoals hij vroeger reageerde (= OVR) op de
OVS op voorwaarde dat de VS en de OVS herhaaldelijk samen voorkwamen
Een nieuwe S-R reactie (VS-VR)
= hierdoor ontstaat contiguïtet tussen VS en OVS
VS gaat OVS vervangen als prikkel = prikkelsubstitutie
12
MVW