LEERLINGENBEGELEIDING
COÖRDINEREN
HOOFDSTUK 1: PRAKTIJKCONTEXTEN
INCLUSIEVE ONDERWIJSPRAKTIJKEN
INLEIDING
Meritocratie is niet genoeg. Het onderwijssysteem (in België en elders) gaat uit van
gelijke kansen: iedereen krijgt toegang tot onderwijs, en wie de beste resultaten haalt,
slaagt. Maar dat is een mythe. Gelijk recht op onderwijs is niet hetzelfde als gelijke
startkansen, want leerlingen starten niet met dezelfde middelen. Onderwijs kan
ongelijkheid zelfs versterken: wat we ‘eigen verdienste’ of ‘aanleg’ noemen, is vaak het
gevolg van sociale kansen (Valcke et al., 2023).
Wat is inclusief onderwijs? Het is meer dan gelijke kansen aanbieden. Alle leerlingen,
ongeacht geslacht, sociaal-economische status, etniciteit, cultuur, religie, overtuiging of
vermogen, moeten optimale ontwikkelingskansen krijgen. UNICEF omschrijft inclusie als
een proces dat barrières wegneemt en aanwezigheid, participatie en leerresultaten van
álle leerlingen bevordert. Het systeem past zich aan de leerling aan, niet omgekeerd. Het
‘probleem’ ligt in het systeem, niet in de persoon.
Internationaal kader.
Er is een verschuiving van segregatie (aparte scholen) naar inclusie als norm.
UNESCO ziet toegang tot school niet als voldoende: leerlingen hebben ook recht
op passende ondersteuning en echte inclusie. Een keuze tussen goede
ondersteuning (bv. buitengewoon onderwijs) of gelijke rechten zou er niet mogen
zijn, want beide moeten kunnen.
Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (2006)
verplicht tot een inclusief onderwijssysteem op alle niveaus. Uitsluiting of
segregatie op basis van een beperking is niet toegestaan. Inclusief onderwijs is
dus geen vrije keuze, maar een juridische én ethische verplichting. Het
VN-comité wijst ook af dat gesegregeerde en gewone systemen naast elkaar
blijven bestaan.
Situatie in Vlaanderen/België.
België ratificeerde het VN-verdrag in 2009, maar kreeg in 2014 kritiek van het VN-
comité: te veel segregatie en een te sterk accent op institutionele zorg. Er is een
pleidooi voor een verschuiving van de medische visie (beperking als individueel
defect) naar een benadering op basis van mensenrechten.
In 2018 en 2020 kreeg Vlaanderen ook een vingerwijzing van de Raad van Europa,
omdat het recht op inclusief onderwijs onvoldoende gegarandeerd werd.
In 2018 steeg het aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs.
, Conclusie: de overgang van een gesegregeerd naar een echt inclusief systeem
verloopt moeizaam. In 2021 werd inclusief onderwijs opgenomen in de Belgische
grondwet, een eerste stap om inclusie als norm te stellen.
Kernboodschap: inclusie vraagt dat het systeem verandert (barrières weg,
leeromgeving aanpassen), niet dat leerlingen zich aanpassen. Het is een recht, geen
gunst.
VLAANDEREN VANDAAG
Extreme segregatie. Vlaanderen kent tot op heden een hoge mate van segregatie in
het onderwijs. Zo’n 5,6 tot 5,75 % van alle leerlingen volgt les in een aparte setting,
gescheiden van het gewone onderwijs. Het Europese gemiddelde ligt op slechts 1,7 tot
1,8 %. Vlaanderen scoort dus ruim drie keer hoger.
Kaart (VRT NWS, bron EASE). De kaart toont het percentage leerlingen in het
buitengewoon onderwijs per land, voor het lager en secundair onderwijs. België (met
Vlaanderen) valt op in de donkerste categorie (meer dan 5 %), samen met onder meer
Duitsland en Letland. Veel andere Europese landen vallen in de laagste categorie (minder
dan 2 %).
Geen evolutie naar inclusie. Ondanks de beleidsinitiatieven die in de tekst geschetst
worden, wijst de instroom in het buitengewoon onderwijs (nog) niet op een beweging
richting inclusief onderwijs. Het aantal leerlingen steeg in vier jaar tijd met bijna 13 %:
van 47.468 leerlingen in 2018-2019 naar 53.573 in 2022-2023.
Kernboodschap: Vlaanderen scoort internationaal slecht op inclusie, en de cijfers gaan
de verkeerde kant op.
EVOLUTIE IN DE ONDERWIJSCONTEXT IN VLAANDEREN
VAN BUITENGEWOON NAAR GEÏNTEGREERD ONDERWIJS (JAREN ’70 – ’80)
Ontstaan van het buitengewoon onderwijs (1970). Met de Wet op het
Buitengewoon Onderwijs van 1970 richtte Vlaanderen buitengewoon onderwijs in voor
kinderen met een beperking. De reden: ouders hadden het gevoel dat hun kinderen met
specifieke noden in het gewoon onderwijs aan hun lot werden overgelaten. Eerst sprak
men van ‘bijzonder’, later van ‘buitengewoon onderwijs’. Onderwijs en therapie werden er
gecombineerd, wat toen als een verbetering werd gezien. Het idee was dat expertise te
clusteren is op bepaalde plaatsen, waar deskundig personeel kan worden aangeworven.
Het gevolg: segregatie. Deze keuze leidde tot een systeem met twee gescheiden
werelden: gewoon en buitengewoon onderwijs.
Groeiend besef. Men zag in dat leerlingen met een beperking vanuit of na het BuO
onvoldoende kansen kregen om volwaardig deel te nemen aan de ‘gewone’
maatschappij.
Naar geïntegreerd onderwijs (vanaf de jaren ‘80).
Vlaanderen volgde de internationale roep om meer geïntegreerd onderwijs, zodat
kinderen met en zonder beperking samen naar school konden gaan.
De Vlaamse Gemeenschap, in ons land sinds 1989 bevoegd voor onderwijs,
voorzag GON-begeleiding (geïntegreerd onderwijs) voor bepaalde doelgroepen:
, vooral leerlingen met een motorische, auditieve of visuele beperking, vanuit BuO-
type 4, 6 en 7.
Er waren echter ook doelgroepen waarvoor er geen GON werd ingericht.
Conclusie: Vlaanderen bleef vasthouden aan een model met twee gescheiden
onderwijsvormen: gewoon en buitengewoon onderwijs.
Kernboodschap: het buitengewoon onderwijs was goedbedoeld (expertise bundelen),
maar creëerde een dubbel systeem. De GON-begeleiding in de jaren ‘80 was een eerste
stap naar samen naar school gaan, maar veranderde niets aan die tweedeling.
EERSTE STAPPEN OP WEG NAAR INCLUSIEF ONDERWIJS (JAREN ’90 – ’00)
Aanleiding. Ouderverenigingen en zelforganisaties van personen met een beperking
bleven aanklopen bij de Vlaamse overheid. Dat leidde tot enkele beleidsinitiatieven voor
gelijke kansen en inclusief onderwijs.
ION-begeleiding (jaren ‘90).
Zowel wetenschappers als het werkveld stelden vast dat het beleid vanuit
integratie niet volstond om alle kinderen volwaardig te laten participeren op
school.
De Salamanca Statement (1994) van de Verenigde Naties ijverde daarom voor
inclusief onderwijs, een stap verder dan geïntegreerd onderwijs.
Als eerste maatregel maakte de Vlaamse Gemeenschap ION-begeleiding
mogelijk voor leerlingen met een verstandelijke beperking vanuit BuO type 2.
Beperking: ION voorzag slechts voor een beperkt aantal leerlingen, vanaf de
lagere schoolleeftijd, dus niet voor kleuters.
GOK-decreet en ‘Maatwerk in samenspraak’ (2002).
Minister Marleen Vanderpoorten voerde het GOK-decreet in, met maatregelen om
gelijke onderwijskansen te bevorderen voor alle leerlingen.
De focus lag echter op kansarme leerlingen en leerlingen met een andere
thuistaal dan het Nederlands.
De maatregelen waren niet bedoeld om de instroom in het buitengewoon
onderwijs te verminderen.
Haar beleidstekst ‘Maatwerk in samenspraak’ opende wel het debat over
kwaliteitsvol onderwijs op maat van alle leerlingen, waarbij gewone scholen meer
mogelijkheden krijgen om in te spelen op specifieke noden. Er kwam echter nooit
een decreet.
Het Leerzorgkader (2005).
Minister Frank Vandenbroucke werkte een globaal stappenplan uit voor meer
inclusief onderwijssysteem.
Het draagvlak groeide enigszins, maar ook het ontwerpdecreet Leerzorg werd niet
goedgekeurd.
, Reden: er bleef veel weerstand bestaan bij de onderwijsvakbonden en de
onderwijskoepels.
Het VN-verdrag (2006-2009).
In 2006 keurden de Verenigde Naties het VN-verdrag inzake de rechten van
personen met een handicap goed.
Artikel 24 garandeert het recht op een inclusief onderwijssysteem.
België ratificeerde het verdrag in 2009 en verbond zich er zo toe om zijn
onderwijssysteem inclusief te maken.
Kernboodschap: in de jaren ‘90-‘00 waren er kleine stappen (ION, GOK, Leerzorgkader),
maar elk bleef beperkt of strandde op politieke weerstand. Pas het VN-verdrag zorgde
voor een bindende verplichting.
M-DECREET EN ONDERSTEUNINGSMODEL (JAREN 2010)
Minister Pascal Smet wilde inclusie bevorderen en tegelijk rekening houden met
de weerstanden in het werkveld, en liet het leerzorgkader los. Na meer dan 15
jaar debat volgde het M-decreet, goedgekeurd in 2015.
Het bevat maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften: het
recht op redelijke aanpassingen, het continuüm van zorg (ZC) en de
uitgangspunten van handelingsgericht werken (HWG). Die werden ingebed in het
Decreet Basisonderwijs en de Codex Secundair Onderwijs.
Het was een gedeeltelijke hervorming, op basis van wat juridisch noodzakelijk
was.
Leerlingen met een beperking kregen inschrijvingsrecht in het gewoon
onderwijs en konden dus niet langer systematisch geweigerd worden. Gewoon
onderwijs werd de norm.
Leerlingen kregen pas toegang tot buitengewoon onderwijs als de school niet de
nodige aanpassingen onredelijk of onvoldoende kon aanbieden. Doel: zoveel
mogelijk leerlingen in het gewoon onderwijs laten, met ondersteuning op maat.
Ook het buitengewoon onderwijs werd hervormd: type 1 en 8 werden vervangen
door een nieuw type basisaanbod, en type 9 werd opgericht voor leerlingen met
autismespectrumstoornissen.
Het CLB kreeg een rol in een proces van handelingsgerichte diagnostiek, te laten
voorafgaan aan elke verwijzing. Kan een school de redelijke aanpassingen niet
halen om het gemeenschappelijk curriculum (GC) te volgen, dan kan het CLB een
gemotiveerd verslag opmaken: de leerling heeft dan recht op redelijke
aanpassingen in het gewoon onderwijs. Zo niet, dan maakt het CLB een verslag op
dat de leerling recht heeft op een individueel aangepast curriculum (IAC).
Ouders kunnen ook beslissen of hun kind in het gewoon onderwijs blijft (eventueel
met ondersteuning) of ingeschreven wordt in het buitengewoon onderwijs.
Ondersteuningsmodel (2017).
De evaluatie van het M-decreet toonde knelpunten, onder meer een gebrek aan
ondersteuning voor leerlingen met een GC en IAC in het gewoon onderwijs.