1. – sociologie, een kennismaking
1.1 – hoe denken sociologen?
Sociologie: bekijkt gedrag vanuit de sociale relaties, alles wat men ons gebeurt wordt
beïnvloed door sociale relaties (de structuur en cultuur) bv. waarom gaan mensen studeren
‘socio’ de samenleving en je hebt ‘logie’ studie van,… de samenleving
⇒ ?Belang sociologie voor gezondheidszorg? – een goede verlener weet dat de
beheersing van je vak alléén niet voldoende is om beroepsmatig goed te functioneren, ook
een goede oriëntatie op de veranderende samenleving en zijn gezondheidszorg is
noodzakelijk.
Waarom sociologie?: meer gerichtheid naar de individuele cliënt en sociale factoren krijgen
relatief weinig aandacht
⇒ naast biologische en psychologische factoren maar ook vaak sociale factoren
1.1.1 – het algemene in het bijzondere zien
⇒ in het menselijk gedrag algemene patronen ontdekken bv. de partnerkeuze (we
worden verliefd op iemand waarvan de karaktertrekken passen in jouw cultuur)
⇒ idee dat we zelf ons leven bepalen loslaten bv. aantal kinderen (India VS. België)
⇒ de samenleving beïnvloedt al onze beslissingen en ervaringen
1.1.2. – gedrag wordt bepaald door sociale relaties
Bv. waarom gaan mensen studeren, waarom richten mensen een familie op,…
Sociologen zoeken een verklaring op voor het menselijk gedrag dus in de samenleving, en
niet in de psychologische processen, dat maakt ons dus producten van een grotere sociale
context of als vertegenwoordigers van een groot aantal groeperingen,…
⇒ het bepaalt onze individuele keuzes, persoonlijke ervaringen die hebben ook een sociale
en een maatschappelijke dimensie
1.1.3. – sociologie t.o.v. andere sociale wetenschappen
Er zijn verschillende vakken die gedrag bestuderen bv. anatomie, psychologie, economie,..
deze ‘disciplines’ hebben allemaal klemtonen. Daarom is de grenzen van deze vakken
zoeken zinloos. Maar ze kunnen elkaar wel helpen door ‘multi’ of ‘inter-disciplinair’ te werken
⇒ sociologie is verwant met psychologie, maar toch richt psychologie zich meer met het
micro-niveau, na een tijd werkten ze in elkaar en kwam er de sociale psychologie die de
effecten van groepskenmerken bestudeert op individu bv. groepsdruk
1.2 – definitie
⇒ de wetenschappelijke bestudering van de interactie tussen personen en sociale
eenheden, de contextuele factoren die de interactie (benadert het handelen vanuit sociale
relaties) bepalen en van de gevolgen daarvan op menselijk gedrag
1.2.1 – wetenschap
De sociologische kennis moet méér zijn dan ervaringen, ze moeten berusten op
wetenschappelijke onderzoeken, systematische momenten en met een aantal vereisten.
⇒ moet objectief, grootschalig (representatief) en controleerbaar zijn
Bv. stress beïnvloed sneller de ondergeschikte werknemers dus niet een managerziekte.
⇒ sociologie als wetenschap is niet enkel feiten/beschrijvingen maar is ook verklaringen
,1.2.2. – interactie (sociaal handelen)
⇒ elk gedrag gericht is op of is beïnvloed door anderen (het sociaal handelen), mensen die
op elkaar reageren, en elkaar dus voortdurend beïnvloeden. Ook onrechtstreeks contact ⇒
er wordt geanticipeerd op reactie van anderen
Bv. roddel in sms’je sturen ⇒ roddel je door? Beïnvloed je ook anderen, blik werpen,..
Sociale verwevenheid van gedrag geeft onze interacties een onvoorspelbaarheid
Via sociale positie en via waarden/normen ⇒ individueel gedrag voorspellen
Bv. Via hoge sociale economische status, welke werkomstandigheden de ouders hebben ⇒
hoe zijn dan de prestaties op school? Welke ontwikkeling staat hier dan op de voorgrond?
1.2.3. – gedrag
⇒ alle cognitieve, affectieve (gevoel) of dynamische uitingen van een individu
Wat is de maatschappelijke context? Het beïnvloedt menselijk gedrag via zijn invloed op
menselijke interacties (in onderling de mensen)
Centraal in sociologie is interactie: dat op drie niveaus kan opgedeeld worden:
⇒ macroniveau: samenleving als geheel, macrogroepering (sociale categorieën op grond
van nabijheid, verwantschap, leeftijd, sekse,..) concrete sectoren in maatschappij (politiek,
cultureel) en segmenten (landbouw, geschreven pers,..)
⇒ mesoniveau: allerlei concrete groeperingen bv. een wijk/buurt, bedrijf, afdeling,
hogeschool, ziekenhuis, opleiding
⇒ microniveau: kleine groeperingen zoals een gezin, buren, vrienden, klas, moeder-
dochter
1) Bv. effect van gezinsgrootte op de studieprestaties van kinderen: hoe groter gezin, hoe
minder aandacht voor de kinderen
Contextuele factor: de gezinsgrootte
Interactie: belangstellingen dat ouders hebben voor de studie van kinderen
Gedrag: studieprestaties, gemeten examenresultaten
2) Bv. effect technologische evolutie op arbeidsvoldoening: arbeid aan de lopende band,
geeft geen arbeidstrots, arbeiders met ‘geestdodend’ werk raken gefrustreerd, machteloos,
zinloos en verliezen de grip op de situatie ⇒ ‘vervreemding’, deze gevoelens leiden tot
ziekteverzuim, staking,…
Contextuele factor: de technologische evolutie
Interactie: de arbeidsverdeling, opdeling van werk met meer gespecialiseerde taken
Gedrag: mate van arbeidsvoldoening van werknemer, gedrag is gevoel van frustratie
1.2.4. – factoren die de interactie bepalen
⇒ invloed van samenleving en de groep waar de interagerende personen aan deel nemen
met maatschappelijke context en contextuele factoren
1.3 – de basisvormen van interactie
⇒ interactie leidt tot een wederzijdse beïnvloeding van het denken en doen van mensen,
vanaf de ander zich bewust is van onze aanwezigheid, wordt ons gedrag beïnvloedt.
1.3.1. – uitwisseling of sociale ruil
Sociale ruil en ‘de sociale ruiltheorie’, deze theorie zegt dat mensen slechts relaties
(langdurige interacties) hebben als ze er een voordeel is in de relatie. Dus er is een soort
kosten-batenanalyse, maar enkel als het voor beide partijen gunstig is. Zowel immaterieel
(kennis, aandacht) als materieel (goederen, werk)
, Bv. vriendin belt enkel voor vriendprobleempjes en heeft geen tijd voor mij, dan twijfel je al
rap aan de ‘vriendschap’. ⇒ niet gunstig
Economische ruil: zowel de aard van de tegenprestatie als termijn voor het vervullen
worden vooraf bepaald. Niet zoals sociale ruil want hier kunnen deelnemers relatie niet als
gedaan zien want de wederzijdse verwachtingen werden nooit contractueel gelegd.
1.3.2. – samenwerking
Bij sociale ruil streven beide partijen naar een samenwerking, waar ze beiden doel voor ogen
hebben. Bv. bij een project zullen ze de taken verdelen, taakverdeling onderling de ouders
voor gezin.
1.3.3. – conflict
⇒ ontstaan wanneer er objectieve (feiten)/subjectieve (meningen) verschillen zijn tussen de
betrokkenen, en dat heeft als gevolg een ongelijke verdeling van (relatief) schaarse (wat
ontbreekt/te weinig is) elementen van zowel immateriële aard (te weinig macht, kennis,
opleiding) als materiële (Vlaamse bouwgrond,..)
Bv. een staking door te weinig loon (materieel schaarste) als immaterieel (te weinig inspraak)
1.3.4. – conformiteit
⇒ vorm van interactie waar betrokkenen in hoge mate voldoen aan de verwachtingen die
anderen hebben over hun gedrag (normatieve verwachtingen), het voldoen van de
verwachtingen en aanpassen van sociaal leven pas wanneer beide partijen de
rolverwachtingen weten
Bv. tijdens sollicitatie gesprek zijn er verwachtingen: gepaste kledij, verzorgd uitzien, beleefd
⇒ conformiteit maakt gedrag voorspelbaar, waardoor er minder energie vereist is en die
kan worden verkregen voor de eigenlijke inhoud v/d interactie
⇒ conformiteit door onbedoelde invloed op elkaar: door continu integratie krijgen
mensen een gezamenlijke visie en is de angst om afgewezen te worden door een groep
groot (groepsdruk) ⇒ hierdoor is er veel volgzaamheid
Experiment door Milgram: 1 persoon keek ergens naar ⇒ niemand keek, 5 mensen keken
ergens naar en plots kwamen er meer mensen bijkijken wat er was.
Deviant gedrag: rebels doen en niet de opgelegde normen/waarden opvolgen
1.3.5. – machtsuitoefening
⇒ de machtigste interactiepartner beïnvloedt de andere om eigen doelstellingen te bereiken,
hierdoor is er soms ook een ‘onderworpene’ .
bv. in tijde van grote werkeloosheid, is de werkgever de machtigste, de werknemers zullen
flexibel werken omdat ze weten dat ze na ontslag moeilijk werk zullen vinden.
Bv. de man-vrouwverhouding: wanneer man kostwinner is moet vrouw onderdanig zijn
1.4. – contextuele factoren die interactie beïnvloeden
⇒ kenmerken van maatschappij/omgeving/groepering waar interacties plaatsvinden
- demografische factoren: de meetbare eigenschappen van een bevolking en de
samenstelling er van bv. bevolkingsdichtheid, geboorte, sterfte
⇒ kan door een bevolkingspiramide: waar leeftijdsstructuur wordt weergegeven en klassen
Bv. toegenomen bevolkingsdichtheid gaat gepaard met arbeidsverdeling: het ontstaan van
gespecialiseerde ambachten, meer mensen kunnen op bepaalde vlakte leven
Bv. bevolking van westerse landen vergrijst: minder kinderen worden geboren en ouderen
halen steeds hogere leeftijd ⇒ meer pensioenlast (schrik voor laag pensioen)