We bespreken deze vraag aan de hand van drie stellingen
1.1. Stelling 1: De mens is vanaf zijn geboorte volledig bepaald NATURE
- Aanleg/ genen
- Erfelijk gedetermineerd
- Kind is niet opvoedbaar = pedagogisch pessimisme
à Opvoeden wordt gezien als steun bieden bij ontwikkelingsproces
Bv. lichaamslengte, geslacht, huidskleur, …
1.2. Stelling 2: De opvoeding maakt de mens tot mens NURTURE
- Kind wordt geboren als onbeschreven blad
- Omgevingsinvloeden zijn doorslaggevend
- Kind is product van omgeving
- Milieu maakt mens tot mens
Bv. je ouders, je dorp, je cultuur, …
- Omgeving heeft actieve invloed
Bv. Als een kind niet gestimuleerd wordt om rechtop te lopen, dan loopt het ook niet recht.
1.3. Stelling 3: De mens bepaalt zichzelf
= Existentialistische opvatting --> Individuele vrijheid en verantwoordelijkheid staat voorop
Sartre
- Iedereen is een uniek wezen: eigen daden en eigen lot
- Mens is niet opvoedbaar – maakt zichzelf
- Onbeïnvloedbaar
- Eigen doelen en keuzes
- ‘Hij is geen weerloze bal’
1.4. Genuanceerde, synthetische visie
Meerdere factoren spelen een rol bij de ontwikkeling van een kind, en deze beïnvloeden elkaar ook.
Ontwikkeling kind --> dynamisch spel;
1) Erfelijke aanleg; kansen en beperkingen
2) Milieu; invloeden van buitenaf
3) Zelfbepaling; Eigen keuzes
Opvoeding wordt beïnvloed door deze 3 factoren!
Ouders hebben een deeltaak en een beperkte invloed. Kinderen gaan zelf vormgeven aan hun eigen
leven.
,--> Dus orthopedagogen gebruiken deze visie
2. Het bio-ecologisch model van Bronfenbrenner
Om de ontwikkeling van een kind te begrijpen moet je ook kijken naar de verschillende invloeden.
- Ecologische visie op ontwikkeling
- Ruime omgeving speelt een rol
- Wederzijdse beïnvloeding kind-omgeving
2.1. Microsysteem:
- Klein stukje wereld waar het kind in opgroeit (gezin)
- Dagelijkse directe omgeving
- Vaste gesprekspartners
- Aspecten; fysisch & sociaal
Fysisch; gebouw en locatie (schoolgebouw)
Sociaal; Onderliggende relaties, vaste patronen (dagelijkse routines)
- Gezin heeft niet altijd de meeste invloed
- Kinderen zijn geen passieve ontvangers, ze geven ook invloeden (druk kind)
2.2. Mesosysteem:
= Onderliggende relaties tussen de microsystemen
3 aandachtspunten:
- Kwaliteit van de relatie (contact)
Bv. tussen onthaalmoer en vader
, - Frequentie van de relatie (hoevaak hebben de verschillende microsystemen contact)
Bv. Ouders kunnen weinig tot geen contact hebben met de voetbaltrainer
- Waardering voor elkaar (van andere microsystemen)
Afwijzing; Bv. Ouders van een puber kunnen zeer afwijzend tegenover vriendengroep staan.
Overwaardering; Bv. Ouders hechten heel veel belang aan goed schoolprestaties, dat ze hun
kind nauwelijks ruimte laten voor contact met vrienden.
Overgangen van het ene microsysteem naar het andere kunnen voor een kind vlot of minder vlot
verlopen. Een van de bepalende factoren kan al zorgen voor een minder soepele overgang.
2.3. Exosysteem:
- Structuren rond gezin
Bv. Werk van ouders, voltijds, deeltijds niet werkend, …
- Kind maakt geen deel uit, maar systeem heeft wel invloed op het kind
- Sociaal netwerk; formeel/informeel
- Bv; werk ouders, etnische of religieuze gemeenschap
2.4. Macrosysteem:
Overkoepelende invloeden
- Economisch systeem
- Sociale voorzieningen
- Onderwijssysteem
- Politiek
3. Balansmodel van Bakker
Opvoeding = transactioneel proces – wederzijdse beïnvloeding
- Kind- Ouder- Omgevingsfactoren
Factoren positief? Laat opvoeding goed verlopen, beschermende factoren
Factoren negatief? Bedreigen opvoeding, risicofactoren
, 3 niveaus:
1. Microniveau
Ouder en gezinsfactoren
2. Mesoniveau
Sociale gezins- en buurtfactoren
Sociaal netwerk, sociale binding --> wordt als steunend beschouwd
3. Macroniveau
Maatschappelijke achtergrond factoren
--> culturele achtergrond en sociaaleconomische positie spelen hier een rol.
Sociale steun = beschermende factor
Draagkracht = beschermende factoren