Les 1
1. Inleiding:
Uniek aan HILO
- Het hilo was eerste belgische instelling waar je alle academische diploma’s
LO kon halen
- Het HILO was de eerste instelling ter wereld waar je alle academische
diploma’s LO kon behalen
- Vertoefd ongv. 65 jaar in het gebouw. (vroeger centrum gent)
- Eerste vrouwelijke docent en hoogleraar aan Universiteit Gent (en België)
→ Irène Van der Bracht (1891-1941) (vrouwelijke docenten beginnen
aanwerven doordat er dames de richting deden)
Duwde lang tegen glazen plafond, kreeg lagere loon dan mannen.
Foto Duitser die hitlergroet doet
- Hitler eerst niet geïnteresseerd in spelen tot dat hij er propaganda van
maakte.
- Blanke Europeaan is superieur
- Maar werdt tweede achter afro- Amerikaan
Waarom sportgeschiedenis?
- Generieke competenties, zoals kritisch en analytisch denken →
perspectief en mythes ontkrachten (Fredericks, 2025; Polley, 2006)
- Inzicht in oorsprong en evolutie sport
- Maatschappelijk inzicht in veranderende normen → thema’s zoals religie,
sociale klasse, gezondheid en gender
- Lange tijd genegeerd door historici (Adams et al., 2022)
Vrouw met fiets:
- Krijgt vleugels via de fiets (eind 19e eeuw), mannen instrument
- Sterke dominantie door katholieke kerk (huisvrouw)
- Fiets goed voor verplaatsing en zeer mobiel
- Vrouwen mogen niet fietsen voor vruchtbaarheid
- Vrouw kan vleugels ontplooien en grote stap in samenleving (fietsen
richard)
2. Inleiding tot sport en LO
1. wat is sport?
- Etymologisch: ‘sport’ en ‘sporten’ komt van oud-Franse woorden (‘desport’
& ‘desporter’) voor ‘vrije tijd’ & ‘vermaak’
- Blijvende discussie over betekenis ( wat het vandaag is, wat het geweest
is, wnr spreken we over sport, veel mensen zeggen iets anders)
- Veel (wijzigende) grijze zones
2. kaders om betekenis sport te proberen begrijpen
A. Historisch (Huizinga, 1938; Guttmann, 2004)
Kaders die kijken naar tijd en gebeurtenis over de tijd heen
B. Antropologisch (Renson, 2000)
Wetenschapsdomein die kijkt naar de mens en wat de mens zich
gedraagt (biologisch en cultureel)
C. Sociologisch (Crum, 1991; van Bottenburg, 2018; Scheerder, 2018 )
1
, Hoe de mens als individu is en zich verhoudt tot sociale groepen tot de
samenleving. (sociale strucuturen)
A. Historisch
Huizinga, 1938
‘Homo Ludens’ (Huizinga, 1938) (een van zijn bekende werken)
Homo ludens= spelende mens
- Alle elementen van cultuur, alle uitingen in de samenleving zijn ontstaan
uit spel
- Vroeger spel nu regels, wetten, …
- Geen doel/nut buiten zichzelf → vrijheid en samenhorigheid (niet voor
rijk te worden, vermageren,…, nut van spel zit in ons en heeft vrijheid)
- Spelerosie door commercialisering → decadente oppervlakkigheid (niet
meer uniek over spel op zichzelf maar w gebruikt en misbruikt) en egoïsme
spelelement valt weg uit onze samenleving, sport w serieuzer, ernstiger,
commerciele belangen die druk zetten op sport.
- Vals spel (instrumenteel, vb. politiek) vs. echt spel (hoger
maatschappelijk belang)
Guttmann, 2004)
- Sport als ‘autotelic physical contests’ = ‘fysieke wedstrijden die doel
vinden in zichzelf’
- Vertrekt vanuit ‘Homo Ludens’ (Huizinga) = ‘spelende mens’
- Alles begint uit spel: maar georganiseerd karakter= games Spel (Play)
kan je indelen van vrij naar meer georganiseerd:
- Spontaan spel: zonder regels of competitie (bv. steentjes kaatsen).
- Georganiseerd spel: met regels.
o Niet-competitief: geen winnaar/verliezer (bv. haasje over).
o Competitief: wel wedstrijd.
Intellectueel: denken staat centraal (bv. schaken).
Fysiek: sport en beweging (bv. voetbal).
-
Premoderne sport: alles voor 1750 (voor IR)
Moderne sport: alles na 1750 (na IR)
- Fundamenteel anders: civilisatieprocessen ( minder geweld: vroeger
geweldadiger, er vielen doden) en rationaliseringsprocessen ( hoe sporten
organiseren)
7 kenmerken van de sport:
1. Secularisatie: gelinkt aan religie, in teken van goden, gekoppeld aan
feestdagen, sport neemt plaats in.
2. ‘Gelijkheid’: meeste mensen kunnen deelnemen aan sport
2
, 3. Specialisatie: functies op en naast terein (coaches, strategie,
tacktiek,…)
4. Bureaucratisering: meer regels, organisaties die sportregels bepalen
5. Rationalisering & standaardisering: rationele manier dingen
bedenken die rationeler zijn, standaardisering: over bv met zelfde
bal spelen
6. Kwantificering: uitdrukken in aantallen, vroeger de beste zijn nu met
tijd,..
7. Obsessie met records: records, verschil, hoeveel je wint
B. Antropologische (Renson, 200
- ‘Homo Movens’ = bewegende mens (Renson, 2000) wat ons maakt tot
mens is hoe we bewegen
- Bewegingscultuur:
1. ‘Homo Ludens’ = spelende mens (‘autotelic’ = doel op zich), spel
en games, beweegcultuur voor het doel in onszelf
2. ‘Homo Exhibens’ = mens die zich toont/uitdrukt, we tonen onze
identiteit
3. ‘Homo Excercens’ = mens die fit wil zijn (instrumenteel), om actief
te zijn en bewust dat het gezond is
4. ‘Homo Agonizens’ = mens die in competitie wil treden, geen
compititie= geen sport
- Concept van ‘ludo-diversiteit’ naar analogie met ‘biodiversiteit’ (Renson,
2016)
- Ludo= spel= eenheid
C. Sociologische (crum)
- ‘Versporting van de samenleving’ (Crum, 1991) (interactie met elkaar,
rol sport in samenleving groter)
Versporting van de samenleving ( veel meer sport dan vroeger)
Vermaatschappelijking van de sport (groter verwachtingen in
sport, sport w gebruikt om sameleving samen te brengen)
Processen van versporting: kenmerken sport worden duidelijker,
regels worden duidelijker en ontsporting: meer mensen doen
“sportlight”, met minder verwachtingen en minder hoge druk,
zonder formele structuren
- Paradoxale ontwikkelingen sport (van Bottenburg, 2018): (pardoxaal:
tegenwerken)
1. Groeiende populariteit : steeds meer mensen doen aan sport
↔ afnemende geloofwaardigheid (groeipijn, doping,…)
2. Toegenomen gebruik van sport als beleidsmiddel
(maatschappelijke problemen oplossen, altijd willen oplossen met sport)
3
, ↔ toegenomen beleid tegen problemen in en via sport (doping,
gokken,…)
3.Verwetenschappelijking, instrumentalisering en commercialisering (=
‘verernstiging’ van sport, cfr. Huizinga)
↔ sporten als doel op zich (interne motivatie) (doel zichzelf)
Kritieken op de homo ludens (van botteburg 2018)
1. Spel als oorsprong van sport?: niet altijd, kijk naar boogschieten,
hardlopen, paardrijden, worstelen → linken met jacht, transport en oorlog
2. Sport als ‘verernstigde’ vorm van spel?: amateurideaal Britse aristocraten
(formalisatie van sport, door groei sporten, vroeger was sport onschuldig,
nu worden mensen betaald,…)
3. Spel als activiteit buiten het gewone leven? : autonomie is beperkt → sport
als spiegel
4. Definiëring van sport: 6 principes:
a. Specifiek doel: je hebt specifiek doel nodig
b. Regels betreffende toegestane middelen: wat mag, wat mag niet
c. Geïnstitutionaliseerd: georganiseerd karakter
d. Spelhouding (spelregels): je gaat de regels volgen
e. Interne logica (‘valsspeler’ vs. ‘spelbreker’): valsspeler: iemand die
de regels niet volgt maar heeft wel de bedoeling om het spel te
spelen (doping), spelbreker: spel ni meer spelen en spel breken
f. Relatieve autonomie (eigen logica): eigen regels, eigen
uitzonderlijkheid (niet ontrekken uit regels samenleving) (vb. fabio
jakobsen strafrecht)
Scheerder, 2018
̶ Drie hoofdthema’s in de sociologie:
1. Sociale verandering
2. Sociale verschillen
3. Sociale verbondenheid
- Twee kernparadimga’s:
1. Structuren en actoren: ≠
niveau’s
2. Consensus en conflict: stabiliteit
vs. strijd om beschikbare
middelen?
- Sport als universele taal → sport verbindt en vormt identiteit , we
voelens ons belg en sport brengt ons samen
- Sport van bijzaak naar hoofdzaak → van marge naar centrum
maatschappij
- Verwereldlijking van de sport
4