Startpunt: “The Two Cultures” (C.P. Snow, 1959)
- C.P. Snow stelt dat er in de moderne samenleving een diepe kloof is
ontstaan tussen:
o Geesteswetenschappen (schrijvers, historici, filosofen), en
o Exacte/empirische wetenschappen (natuurkundigen,
ingenieurs)
- Volgens Snow leven die groepen in 2 aparte intellectuele werelden
met weinig wederzijds begrip. Dat is maatschappelijk problematisch,
omdat wetenschap en technologie sterk doorwerken in beleid en
cultuur, maar niet altijd goed begrepen of kritisch verwerkt worden.
Later wordt die analyse vaak ondersteund of hernomen (o.a.
Stephen Jay Gould)
Hoe die splitsing historisch tot stand kwam
a) Oorspronkelijke eenheid van kennis
- In de klassieke oudheid is er (in de westerse traditie) eerder een
eenheid van kennis: 1 denker kan zich met lgoica, natuur, ethiek,
politiek, retoriek én poëtica bezighouden. Aristoteles is het
voorbeeld bij uitstek: hij schrijft zowel over natuur en logica als over
literatuur (Poëtica)
b) De wetenschappelijke revolutie (16de-17de eeuw): emancipatie en
specialisatie
- In de vroegmoderne tijd beginnen de natuurwetenschappen zich los
te maken van filosofie en theologie. Belangrijke verschuivingen:
o Kennis over natuur wordt beoordeeld op wetenschapsinterne
criteria (methode, systematiek, observatie, exactheid,
controleerbaarheid)
o Wetenschap wordt steeds meer het domein van specialisten
(minder generalisten)
- Er wordt een soort historisch kantelpunt geschetst: Goethe geldt als
1 v/d laatsten die literatuur en exacte wetenschap nog op hoog
niveau combineert
c) Sleuteljaar 1543: nieuwe wereldbeelden
- 1543 wordt als symbolisch sleuteljaar genoemd met 2 grote
ontwikkelingen:
o Copernicus verwerpt het geocentrische model (Ptolemaeus)
en introduceert het heliocentrisme, later versterkt door Kepler
en Galileo (ook dankzij betere telescopen)
o Vesalius publiceert De humani corporis fabrica: de basis van
modern anatomie via dissectie en observatie, en hij stelt
, klassieke (middeleeuws bewaarde) ideeën ter discussie, zoals
de humorenleer
- Dit alles draagt bij aan een modern mens- en wereldbeeld waarin
waarneming en empirische toetsing belangrijker worden dan
autoriteit en traditie
Francis Bacon: wetenschap als methode, macht en project
- Francis Bacon (met Novum Organum, 1620) staat voor een breuk
met aristotelisch/klassieke denkkaders. Kernideeën:
o Empirisme: betrouwbare kennis ontstaat door zorgvuldige
zintuiglijke waarneming (a posteriori)
o Wantrouwen tegenover a priori-ideeën (vooronderstellingen):
die zouden hoogmoedig zijn en eerder “hersenspinsels” dan
kennis
o Nood aan een nieuw instrument voor kennis: methode,
meetinstrumenten, observatie, en ook laboratoria als plekken
waar natuur onder “constraint” onderzocht wordt
- Bacon koppelt wetenschap bovendien aan een ethisch-religieuze
plicht: door de zondeval verloor de mens heerschappij over de
natuur, en via kennis kan die opnieuw worden afgedwongen
(“kennis is macht”)
- Hij uit ook argwaan tegenover taal, omdat woorden misverstanden
en lege discussies kunnen veroorzaken. Dat leidt tot dromen over
een “zuivere” kunsttaal
- In The New Atlantis (1627) verbeeldt Bacon een samenleving
(Bensalem) waarin wetenschap en techniek de weg zijn naar een
ideale beschaving: een vroege “technopolis”
Verlichting en industriële revolutie: groeiend vertrouwen in Rede
en vooruitgang
- In de Verlichting verschuift autoriteit van traditie en geloof naar het
autonome individu en zijn/haar rationaliteit. De wereld lijkt
onbeperkt kenbaar en maakbaar
- In de 19de eeuw versterkt de industriële revolutie dat
vooruitgangsverhaal (bv. Crystal Palace, Great Exhibition 1851)
- Figuren als Darwin worden rolmodellen v/d moderne wetenschapper
Tegenreactie: Romantiek en cultuurkritiek op
wetenschap/techniek
- Vanaf eind 18de eeuw ontstaat de Romantiek als brede stroming
(artistiek én maatschappelijk-filosofisch) met terugkerende
motieven:
, o Kritiek op doorgeschoten rationalisme (vrees voor verlies van
creativiteit, spiritualiteit, gemeenschapsgevoel)
o Nadruk op verbeelding, emotie en intuïtie (het subjectieve en
individuele)
o Waarschuwing dat techniek kan leiden tot ontmenselijking en
destructie van natuur en gemeenschap
o Kritiek dat het universalistische verlichtingsdenken culturele
diversiteit verdringt
o Tegenover moderniseringsdrang: nostalgie en herwaardering
v/h verleden
- De les illustreert de kritiek met literaire en culturele voorbeelden die
wetenschap als riskant of hubristisch voorstellen:
o Frankenstein (Mary Shelley, 1818): hoogmoed v/d
wetenschapper als schepper, en het ontlopen van
verantwoordelijkheid
o Dr. Jekyll and Mr. Hyde (Stevenson, 1886): experiment om
goed en kwaad te scheiden ontspoort; mens verliest controle
o R.U.R. (Čapek, 1921): robots als artificiële mensen komen in
opstand; angst voor de gevolgen van technologische
“oplossingen”
o Dystopie als breder genre: angst voor technofobie,
onderdrukking voor uniformiteit, mechanisering, verdwijnen
van natuur en cultuur (kunst/literatuur)
Overkoepelende conclusie van dit deel
- Sinds de vroegmoderne tijd:
o Drijven exacte en humane wetenschappen (waaronder
literatuur en literatuurstudie) steeds verder uit elkaar,
o Groeit in de wetenschap een verhaal van zelfvertrouwen en
vooruitgang
o Ontwikkelt de culturele verbeelding (literatuur en later andere
media) vaak wantrouwen tegenover dat succesverhaal van
wetenschap en techniek
Wat betekent dit voor literatuurwetenschap als discipline?
- Vraag: wat is literatuurwetenschap, en hoe verhoudt ze zich tot (1)
de exacte wetenschappen en (2) literatuur zelf?
a) Kenmerken van exacte wetenschappen (contrast)
- Verifieerbaarheid en falsificatie: hypothese moeten toetsbaar zijn
aan feiten/waarnemingen
- Zoeken naar natuurwetten die tijd- en ruimte-onafhankelijkheid zijn
, - Strikte scheiding tussen object (wat bestudeerd wordt) en
observator
- Sterke kennisaccumulatie
b) Geesteswetenschappen volgen Wilhelm Dilthey: begrijpen i.p.v.
verklaren
- Wilhelm Dilthey (19de eeuw), beïnvloed door romantische
gevoeligheden, probeert de geesteswetenschappen theoretisch te
funderen:
o De scheiding tussen object en subject is minder strikt, omdat
ervaring en interpretatie meespelen
o Historische en culturele context zijn essentieel (ervaringen zijn
niet universeel)
o Natuurwetenschappen zijn gericht op verklaren (erklären)
o Geesteswetenschappen zijn gericht op begrijpen (verstehen)
- Voorbeeldidee: een natuurfenomeen kan je verklaren, maar een
schilderij (of tekst) “verklaar” je niet op dezelfde manier; je
interpreteert het om betekenis begrijpelijk te maken. Daarom is
literatuurwetenschap een vorm van hermeneutiek: de studie van
interpretatie en betekenis
c) Gevolgen voor literatuurwetenschap
- Falisifieerbaarheid speelt een kleinere rol: interpretaties zijn niet
eenvoudig “weerlegd” zoals hypotheses in natuurwetenschap
- Kennisaccumulatie is beperkter: oudere methoden (bv. 19de-eeuwse
filologie) blijven naast nieuwe benaderingen bestaan; dezelfde
teksten worden telkens opnieuw en anders geïnterpreteerd
- De afbakening v/h object (“wat is literatuur?”) is juist een
kernprobleem dat steeds terugkomt
d) Paradigma’s (Thomas Kuhn) en uiteenlopende definities van
literatuur
- Paradigma (Kuhn): een gedeeld pakket van concepten, methoden en
toepassingen binnen een groep onderzoekers op een bepaald
moment. Wat “literatuur” is, hangt mee af v/h paradigma, bv.:
o Russisch formalisme: literaire kwaliteit zit inherent in de tekst
(tekstinterne kenmerken)
o Literatuursociologie: literaire kwaliteit is een label dat mensen
en instituties aan teksten toekennen
o Postkolonialisme: waardevolle teksten leggen
machtsverhoudingen tussen kolonisator en gekoloniseerde
bloot en bekritiseren die
o (en andere mogelijke paradigma’s)
Kernidee om mee te nemen