Inleiding: The Shining als voorbeeld v/e “adaptatie-geschil”
- Bekend geval waarin de waardering v/e adaptatie vaak gekoppeld
wordt aan getrouwheid aan het bronwerk: The Shining (film, Stanley
Kubrick) tegenover The Shining (roman, Stephen King)
o Stephen King was ontevereden over Kubricks filmadaptatie
o De kern van Kings kritiek wordt samengevat als: Kubrick
maakte v/e “warm boek” een “koude film”, en zou het boek
“niet begrepen” hebben
o Toch toont dit voorbeeld meteen dat je adaptaties ook anders
kan bekijken dan via de vraag “Hoe trouw is het?”
- Benadrukt dat Kubrick het materiaal toe-eigent: hij gebruikt het
bronwerk om vanuit een eigen artistieke visie een nieuw werk te
maken. Daardoor krijgt de film een status die zelfs het boek
overstijgt: de film wordt bijna bekender en krijgt een cultstatus
- Daarop volgt een “kettingreactie” van adaptaties die toont dat
adaptatie geen eindpunt is:
o In 1997 maakt King zelf een nieuwe adaptatie als
televisieserie, deels als reactie: zo wilde hij tonen “hoe het wel
moest”
o In 2013 verschijnt Doctor Sleep (King), een vervolg op The
Shining. Opvallend: King haalt hiervoor veel inspiratie uit
Kubrick’s film
o In 2019 volgt een filmadaptatie (Doctor Sleep, Mike Flanagan):
het verhaal komt uit Kings boek, maar de visuele wereld leunt
bewust aan bij Kubrick
- Conclusie uit dit voorbeeld:
o Adaptatie is een proces in evolutie
o Makers beïnvloeden elkaar over media en tijd heen
o Een adaptatie heeft geen onveranderlijke betekenis:
interpretaties en waarderingen kunnen verschuiven
Adaptatie: algemene theorie – waarom zo populair én toch vaak
“verdacht”?
- Adaptaties zijn alomtegenwoordig en vormen een zeer populaire
praktijk. Een belangrijke verklaring is het familiariteitsprincipe:
o Adaptatie als “repetition with variation”: het publiek krijgt iets
herkenbaars, maar toch nieuw
o Het is ook commercieel interessant: minder risico dan een
volledig nieuw verhaal
, - Tegelijk bestaat er vaak minachting voor adaptaties, door een
romantisch idee van:
o Het “origineel” als authentiek en superieur
o De adaptatie als een minderwaardige afgeleide
- Daartegenover staat een kernquote van Hutcheon:
o “to be second is not to be secondary or inferior; likewise, to be
first is not to be originary or authoritative”
- Daarom vermijdt adaptatiestudies liever het woord “origineel” en
gebruikt men neutralere termen zoals bronwerk (of “geadapteerd
werk”), om de pejoratieve (negatieve) connotatie te vermijden
“Adaptaties als adaptaties”: autonoom werk én relationeel werk
- Belangrijk onderscheid:
o Adaptatie als autonoom werk: je kan het bestuderen als
kunstwerk op zichzelf, ook voor een publiek dat het bronwerk
niet kent
o Adaptatie als adaptatie: je erkent tegelijk dat het werk een
relatie heeft - met een eerder werk (of meerdere)
- Daarbij introduceert de les het idee van publieksposities:
o Unknowing audiences: ervaren de adaptatie vooral als “een
losstaand werk”
o Knowing audiences: lezen/kijken met het bronwerk in het
achterhoofd
- Dit wordt niet als een harde tweedeling gezien, maar eerder als een
continuüm
Definitie van adaptatie volgens Hutcheon
- Hutcheon definieert adaptaties als:
o “deliberate, announced, and extended revisitations of prior
works”
- Dus: een adaptatie is een werk dat bewust, openlijk en uitgebreid
teruggrijpt op een eerder werk of verhaalwereld
- Belangrijk is ook wat niet onder adaptatie valt (volgens deze
afbakening):
o Loutere intertekstuele knipogen of referenties
o Plagiaat
o Sequels en prequels (omdat die niet noodzakelijk “het verhaal
of de inhoud herhalen” op de manier van remakes)
3 invalshoeken om adaptatie te begrijpen
- 3 manieren om adaptatie te benaderen:
1. Adaptatie als product
, o Een herkenbare omzetting (“transposition”) v/e ander werk.
Dit kan:
Binnen 1 medium of tussen media
Met genreverandering
Met verandering van vertelperspectief
Enz.
o Er bestaan veel labels: adaptatie, verfilming, re-enactment,
remake, …
2. Adaptatie als proces
o Adapteren is een actieve daad die altijd:
Interpretatie
En daarna creatie inhoudt
o Die daad kan negatief worden gelezen als “toe-eigening”, of
positiever als “redden” / salvaging
3. Adaptatie vanuit receptie (publiek)
o Adaptatie als een langdurige intertekstuele relatie die pas
echt “werkt” in de interpretatie door kijkers/lezers
- Dit leidt tot Hutcheons kernformule:
o Een adaptatie is een afleiding (“derivation”) die niet
“afgeleid/derivative” is: ze is 2de, maar daarom niet
minderwaardig
Adaptatie, intertekstualiteit en poststructuralisme
- Receptiebenadering in een bredere theoriegeschiedenis
o Roland Barthes (1968): “dood v/d auteur”
Betekenis ligt niet vast bij de auteur, maar ontstaat in
de lezing. Teksten hebben evenveel betekenissen als
lezers
Quote: “la naissance du lecteur doit se payer de la mort
de l’auteur”
o Julia Kristeva (1966): intertekstualiteit
“Any text is constructed as a mosaic of quotations; any
text is the absorption and transformation of another”
Teksten bestaan dus altijd uit sporen van Andere teksten
o In film- en literatuurstudies groeit in de jaren 80 meer
aandacht voor het publiek en voor intertekstuele netwerken
- Robert Stam past dit toe op adaptatie:
o Adaptaties zitten in een voortdurende stroom van referentie
en transformatie, zonder duidelijk “oorsprongspunt”
o Daardoor moet het binaire, hiërarchische model origineel vs
kopie losgelaten worden
, - Toch blijft adaptatie een bijzonder vorm van intertekstualiteit, omdat
de relatie met het bronwerk meestal deliberate en anounced is
Modes of engagement: verschillende manieren van
vertellen/ervaren
- Hoe media een verhaal anders laten ervaren, en hoe adaptatie vaak
ook een verschuiving in “mode” is:
o Telling mode (bv. boek): taal vertelt, veel gebeurt in het hoofd
v/d lezer
o Showing mode (bv. theater, dans, film): directe visuele en
zintuiglijke ervaring, “voor onze ogen”
o Participatory mode (bv. videogames): publiek moet handelen
en beslissen, acties beïnvloeden het werk
- De les ontkracht ook clichés:
o Cliché: stream of consciousness kan enkel in telling mode
Weerlegging met L’année dernière à Marienbad
o Cliché: telling mode is de enige manier om ironie goed te
tonen
weerlegging met Problemski Hotel (ironiedragen boek)
Adaptaties en context: cultuur, tijd en lokalisering
- Adaptaties ontstaan en worden ontvangen niet in een vacuüm.
Zowel productie als receptie worden beïnvloed door:
o Maatschappelijke context
o Culturele context
o Tijdsgeest
- Omdat elk werk een product is van tijd en cultuur, kan vergelijkende
analyse van adaptaties net helpen om die culturele verschillen
zichtbaar te maken
- Voorbeeld van cultuurverandering
o Duitse opvoeringen van Shakespeare tijdens WO I en WO II
(context beïnvloedt interpretatie en inzet v/h materiaal)
- Daarbij hoort ook het begrip lokalisering (Hutcheon: indigenization):
o Aanpassen van inhoud aan de doelcultuur
- Een bekend patroon is Amerikanisering
o Amerikaanse remakes worden soms gezien als cultureel
imperialisme (bv. Old Boy als voorbeeld)
o Tegelijk kan er ook delokalisering optreden: culturele
verwijzingen worden verwijderd om het verhaal “universeler”
te maken
Kernideeën om te onthouden