1
,INLEIDING
OSTEOLOGIE
De buitenkant van botten bestaat uit compact bot, de binnenkant uit spongieus bot
Been is aan de binnenkant rood door het rode beenmerg, bij vogel aan de binnenkant luchthoudende ruimtes
TYPE BEENDEREN
Lange beenderen: hebben een distale en proximale epifyse, deze zijn verbonden door de diafyse.
Korte beenderen: de botjes van de carpus, zijn complex! Huisdieren hebben hier vaak problemen.
Platte beenderen: schedel beenderen, conchae nasales, ossa nasales
Onregelmatige beenderen: wervels, ossa cordis - botjes in hartkleppen (rund), os penis (carnivoor)
Sesamsbeenderen:
• haakbeentje thv carpus
• 2 proximale sesamsbeentjes thv kogel
• 1 distaal sesamsbeentje thv hoefbeen (=straalbeen), tussen het straalbeen en de diepe buiger zit een slijmbeurs
• Bij vogels zit er ook een sesamsbeentje in de spieren
• Os rostrale (varken)
CONCHAE NASALES
In de neusholte zitten neusschelpen / conchae. Deze neusschelpen zorgen voor verwarmen van de lucht.
Bij de hond zijn deze neusschelpen complexer dan bij andere diersoorten, ze hebben een grillige structuur die zorgt
voor turbulentie van de lucht, hierdoor worden de reukprikkels tegen reukepitheel gedrukt, op deze manier kunnen
honden beter ruiken.
Als men door de mond inademd wordt de koude lucht niet opgewarmd, koude lucht in de longen zorgt voor
onderdrukking van het imuunsysteem
TOEPASSING – SINUS FRONTALIS
De sinus frontalis bij het rund loopt door tot in de hoornen, in de processus cornualis. Het verwijderen van hoornen
moet dus zeker aseptisch gebeuren anders hebben we risico op ontsteking van de sinus frontalis. Moest het volledig
bot zijn zou het niet aseptisch moeten gebeuren want bot is inert en kan niet ontsteken.
TOEPASSING – PASSIEF STEUN APPARAAT
De ophangbanden van de 2 proximale sesamsbeentjes thv de kogel zijn belang voor het passief steun apparaat.
Een paard kan letterlijk zijn knie op slot zetten, de banden die daarvoor verantwoordelijk zijn voor ABS II.
TOEPASSING - TANDPROBLEMEN BIJ PAARD
stel er moet een tand van een paard verwijderd worden dan kunnen we deze niet gewoon gaan uittrekken, de tand zou
gewoon breken en de tandwortel zou blijven steken. We gaan in de plaats een venster maken in de maxilla om zo
vanuit de sinus maxillaris de tand er uit te kloppen. De sinus maxillaris wordt onderverdeeld in een rostraal en caudaal
deel door het septum sinuum maxillarum, hier moet je rekening mee houden wanneer je het venster maakt.
TOEPASSING - SINUSITIS MENS
Wanneer mensen verkouden zijn is vaak de sinus frontale ontstoken, het hoofd wordt dan zwaarder doordat de sinus
zich gaat vullen met ontstekingsvocht
2
,TOEPASSING – BURSA PODOTROCHLEARIS (SLIJMBEURS)
Het straalbeentje ondergaat constante wrijving van de diepe buiger, daarom zit er een slijmbeurs tussen straalbeentje
en diepe buiger, de bursa podotrochlearis. Deze zorgt dat de diepe buiger makkelijk over het straalbeen kan glijden.
Wanneer dit katrol systeem ontsteekt spreken we van podotrochleose.
Wrijving over bot, over het periost veroorzaakt botvorming, als we dus geen bursa podotrochlearis hadden zou de
wrijving van de diepe buiger tegen het straalbeentje extra botvorming gaan veroorzaken en uiteindelijk misschien zelfs
verkleving van het straalbeentje aan de diepe buiger. Om dit te voorkomen hebben we dus een slijmbeurs, we hebben
een slijmbeurs op alle plaatsen waar een pees tegen bot wrijft
ARTHROLOGIE
SOORTEN GEWRICHTEN
Synarthrose = onbeweeglijk gewricht
• synostose = verbonden met been (schedelbeenderen)
• synchondrose = verbonden met kraakbeen
• syndesmose = verbonden met bindweefsel (radius-ulna)
Amfiarthrose = weinig beweeglijk gewricht
Diarthrose = beweeglijk gewricht, synoviaal gewricht gelijk wij het kennen met gewrichtsholte
TOEPASSING - GROEISCHIJF
De groeischijf tussen lange beenderen lijkt op een RX op een breuk, de groeischijf toont zwart op rx, net gelijk lucht of
dus een breuk, bot toont wit.
OPBOUW DIARTHROSE (SYNOVIAAL GEWRICHT)
Het bot wordt beschermd door gewrichtskraakbeen, wat fungeert als een soort schokdemper. Als dit bot zou zijn
zouden we ossificatie in gang zetten en zouden de 2 beenderen gaan versmelten. Aan de buitenkant hebben we het
gewrichtskapsel, bestaande uit dens bindweefsel. Aan de binnenkant is het gewrichtskapsel afgelijnd door het
synoviaal vlies, dit gaat het gewrichtsvocht aanmaken. Gewrichtsvocht dient als glijmiddel maar het bevat ook
voedingsstoffen om het bot te voeden
TOEPASSING – GEWRICHTSVOCHT PUNCTEREN
Bij bepaalde gewrichten is het gewrichtskapsel groter dan nodig, we hebben een soort recessus.
Die recessi zijn belangrijk voor ons, hier kunnen we gewrichtsvocht gaan puncteren om te zien of er bv een ontsteking
aanwezig is.
3
, OSTEOLOGIE VOORSTE LIDMAAT
SCHOUDERGORDEL
De schoudergordel is een benige verbinding tussen sternum en voorbeen, we vinden deze benige verbinding enkel
terug bij lage vertebraten en mensen. Bij huidieren hangt het voorbeen vast aan het lichaam met spieren en pezen.
Bestaat uit:
• scapula (schouderblad)
• clavicula (sleutelbeen)
à Bij mens volledig uitgbouwd, bij klassieke HD slechts restanten
à bij HD enkel nog claviculair streep tussen 2 delen van de m. brachiocephalicus
à bij car soms nog benige restantjes van de clavicula
• coracoid à bij huisdieren en mens blijft enkel processus coracoideus hiervan over
VOORSTE LIDMAAT
• humerus
• antebrachium: ulna + radius
• carpus
• ondervoet: metacarpus + digiti
mensen zijn plantigraad, wij steunen op de zool
carnivoren zijn digitigraad en steunen op de tenen
hoevigen zijn unguligraad en steunen op de teentoppen
SCAPULA, HUMERUS, ANTEBRACHIUM, CARPUS EN METACARPUS
De nummers van de structuren verwijzen naar foto’s van het document ‘genummerde fotos’!
Deze onderdelen zijn vooral belangrijk om te kunnen herkennen voor het practisch examen.
SCAPULA
[1] SCAPULA EQ
1. facies serrata
2. Spina scapula
2A. tuber spinae scapulae
3. fossa subscapularis
4. fossa supraspinata
5. fossa infraspinata
8. margo dorsalis
9. margo caudalis
10. margo cranialis
11. angulus caudalis
13. angulus cranialis
14. cavitas glenoidalis → hier past de kop van de humerus in
15. collum scapulae
16. tuberculum infraglenoidale
17. tuberculum supraglenoidale
4