(EX MIN: 10/20 OM TE SLAGEN)
LES 1: 3 okt
Wat is een ontwerper?
Een ontwerper (zoals architect of interieurarchitect) heeft z’n eigen manier van werken
Veel ontwerpers leren door het werk van anderen te bestuderen en te begrijpen — ze zijn dus een beetje autodidacten
> Autodidact = iemand die op eigen houtje allerlei kennis vergaart; zelfgeleerde
De taal van architectuur
Architectuur heeft een universele taal — een ‘metataal’ (=taal over taal; gemeenschappelijke taal om concepten en
structuren te communiceren)
Het poëtische van architectuur
Architectuur kan aanvoelen als poëzie zonder woorden
Sommige gebouwen raken je omdat ze iets meer doen dan alleen functioneel zijn — ze wekken emoties, herinneringen
of rust op
Belangrijke ontwerpers en ideeën
1. Peter Märkli
◦ Ziet architectuur als een taal met daarbij 2 overlappende functies
◦ Grammatica = juiste gebruik en ver jning van architectonische elementen (muur, platform…)
◦ Proportie = meetsysteem om harmonie en ritme te creëren tussen gebouw en zijn componenten
= regels, niet persoonlijk
◦ Hij zegt: “Je moet eerst de basis leren, zoals bij een taal, voor je er iets persoonlijks mee kunt zeggen.”
2. Dom Hans van der Laan
◦ Hij vond het belangrijkste element: het “plastisch getal” (een verhouding van ongeveer 3:4)
◦ = driedimensionaal systeem gebaseerd op het menselijke vermogen om verschillen in afmeting
tussen driedimensionale ruimten en objecten waar te nemen en duidelijk te onderscheiden
◦ Gaat het getal zoeken in bestaande gebouwen en toonde zo aan dat er onbewust al van gebruik
werd gemaakt (bijv. Vergelijkende analyse plastisch getal in het Parthenon in Athene)
◦ Wilde gebouwen maken die op menselijke maat zijn (want architectuur = voor de mens) - zie Abdij Roosenberg
◦ Hij gebruikte het als hulpmiddel om ruimtelijke relaties op te lossen (-eenvoudige vormen, sobere materialen,
geen decoratie)
◦ Werkt met 3 schalen:
◦ Intieme ruimte/ werkruimte
◦ Loopruimte - waar ontmoetingen plaatsvinden
◦ Visuele veld - relatie met de buitenruimte
3. Pieter De Bruyne (meubelontwerper en interieurarchitect)
◦ Combineerde oude Egyptische vormen met modern design
◦ Zocht naar een universele ontwerpkennis , een algemeen verhoudingsstelsel
◦ Grote inspiratie: meubels van Toetanchamon
◦ Hij vond een formule, maar heel geheimzinnig erover; wanneer hij het ging aankondigen sterft hij.
fi
, LES 2: 10 okt
Wat is architectuur eigenlijk?
De breedste de nitie van architectuur = het ontwerpen van objecten (zoals bijvoorbeeld een gebouw)
De basisde nitie van (interieur)architectuur = de conceptuele organisatie van delen tot een geheel, de intellectuele structuur
Nu kennen we een de nitie, maar wat is het doel van architectuur?
Identi catie van plaats
Architectuur helpt ons onszelf te plaatsen in de wereld, zonder plekken weten we niet waar we thuishoren
“Plaats” is voor architectuur wat “betekenis” is voor taal.
• Als je ergens bent, voel je je vaak op een bepaalde manier door licht, geluid, materialen en sfeer
• Bijv. verdwaald zijn in een onbekende stad, in een veld tijdens een onweersbui - ongemakkelijk gevoel
• Architectuur vormt die ervaring: ze helpt ons betekenis te geven aan onze omgeving ; het geeft plaatsen vorm
Voorbeelden
• Een kerk voelt anders dan een strandhuis omdat de architectuur een andere functie en emotie oproept
• Goede architectuur zorgt dat je je verbonden voelt met de plek
Condities van architectuur
Architectuur bestaat nooit los van de wereld, ze houdt rekening met: (>basisvoorwaarden)
• zwaartekracht en weer
• materialen
• tijd
• mensen en hun gevoelens
• geld en politiek
🧒 Voorbeeld: Fuji Kindergarten (Japan)
• Een kleuterschool in de vorm van een ovaal - uitnodigend, want je kan het overal betreden
• Kinderen kunnen overal lopen en spelen, ook op het dak
• Het gebouw is open, vrij en speels — gemaakt voor kinderen
Architectuur is dus niet alleen voor mensen, maar door mensen
Een ontwerp is pas geslaagd als de gebruiker het geslaagd vind!
Plaats en betekenis
• Een plek krijgt betekenis als mensen er herinneringen of gevoelens aan koppelen
• Als die plek verdwijnt (bv. door oorlog of rampen), voelen we verlies
• Daarom is de taak van de architect om plekken te creëren die leven, warmte en betekenis hebben
Architectuur = taal
• Woorden = bouwstenen (muur, deur, raam…)
• Zinsbouw (syntaxis) = hoe ze samen worden geplaatst.
• Betekenis = de ervaring van de plek, de boodschap die door de ‘zin’ wordt overgebracht
Net zoals een zin iets kan betekenen, kan een ruimte iets zeggen zonder woorden - poëzie
fi fi fi fi
, LES 3: 17 okt
1. Basiselementen van architectuur
Architecten gebruiken conceptuele elementen (= basiselementen; ideeën, geen materialen zoals baksteen of beton) om
ruimte te organiseren en een plek te maken
Deze elementen helpen mensen zich ergens “thuis” te voelen of een plaats te herkennen
Condities waarbinnen architectuur opereert, omvat: de grond, ruimte, zwaartekracht, licht en tijd + toevoeging van
veranderende voorwaarden: het weer, de maatschappij en cultuur, groei en verval
1. Afgebakend terrein/ grens
• Door een stuk grond te markeren (zoals een handdoek op het strand), creëer je een plek
• Een grens (kan letterlijk grens zijn of kan geleidelijk opgaan in de omgeving) bepaalt wat “binnen” en “buiten” is
2. Platform
• Een verhoogd vlak, zoals een podium, altaar of terras
• Wordt gebruikt om iets of iemand te accentueren of te scheiden van de omgeving
3. Uitdieping / pit
• Een verlaagd vlak, uitgegraven in de grond
• Voorbeelden: graf, zwembad, verzonken tuin, kelder
4. Markering
• Een visueel punt dat een plek herkenbaar maakt: zuil, toren, vlag, standbeeld
• Trekt de aandacht en identi ceert een speci eke locatie
5. Focus
• Element waarop concentratie wordt uitgeoefend
• een haard, kunstwerk of zelfs een persoon
6. Muur / Wand
• Scheidt de ene plek van de andere - ‘muur’ staat symbool voor alle soorten barrières (- hek, haag, gracht…)
• Alle elementen hebben hun kracht, maar die van de muur is misschien wel het krachtigst
• Kleur, materiaal en textuur beïnvloeden hoe groot of klein een ruimte aanvoelt (bv. lichte ruimte voelt groter
aan)
• Mensen voelen zich vaak veiliger dicht bij muren — dit heet thigmotaxis (wall-hugging) > zie verdere uitleg les 4
7. Dak / Plafond
• Beschermt tegen regen, zon en wind
• Verbindt de ruimte onder zich tot één geheel
• Dak steunt vaak op muren, maar kan ook op kolommen
• Verschillende soorten daken: gebogen, schuin, plat… (denk aan Pantheon…); kunnen gaten/ ramen in zitten…
8. Kolom
• Ondersteunt een dak, maar ze zijn ook plaatsidenti catoren
• Een reeks kolommen kan een pad vormen of een gebied afbakenen
• Kolom kan ook een markering zijn
9. Pad
• Geeft richting, verbindt plekken waarbij obstakels worden vermeden
• Kan verhard zijn (straat) of ontstaan door gebruik (een uitgesleten spoor in het gras)
10. Brug
• Verbindt twee gescheiden plekken
• Kan over een kloof zijn, of hellend als een helling
11. Deuropening
• Een overgang tussen de ene plek en de andere
• Bepaalt hoe je een ruimte ervaart - plekken waar we bezoekers begroeten en dus waar we onze identiteit tonen
fi fi fi