, 1
Samenvatting: Economie B
Inleiding - Macro
Welvaart
Met welvaart bedoelt men in de economie niet zomaar rijkdom of geld, maar de mate
waarin mensen hun behoeften kunnen vervullen en hoe goed zij het economisch
hebben. Het gaat dus om het effect van economische activiteit op mensen.
➔ Welvaart kan bekeken worden vanuit verschillende aspecten:
● via consumptie
● via inkomen
● via productie
In de micro-economie wordt welvaart concreet gemeten via het PS en CS. Samen geven zij
de totale welvaart weer op een markt.
Op macro-economisch niveau verwijst welvaart naar de totale productie of consumptie in
de economie, vaak gekoppeld aan het geproduceerde of verhandelde volume (Q).
Beïnvloedende factoren
De economische activiteit en dus ook de welvaart wordt voortdurend beïnvloed door externe
gebeurtenissen of schokken. Dat zijn onverwachte veranderingen die een impact hebben
op productie, consumptie, prijzen en werkgelegenheid. Voorbeelden:
● Technologische veranderingen (AI, digitalisering, robotisering,..)
● Klimaatveranderingen
● Beleidsmaatregelen (importheffingen, migratiebeperkingen, begrotingsmaatregelen,
besparingen,..)
● Prijsveranderingen
● Monetaire beslissingen (renteaanpassing door de ECB)
Centrale vraag: hoe begrijpen we de impact van zulke schokken op de economie?
➔ Daarvoor hebben we een model nodig dat de werking van de economie
weergeeft. Met zo’n model kunnen we analyseren:
1. het primaire effect van een schok (meestal op korte termijn),
2. de secundaire effecten (vaak op langere termijn).
Wat is macro-economie
Macro-economie bestudeert de werking en de ontwikkeling van de economie als
geheel. In tegenstelling tot micro-economie, die kijkt naar individuen, gezinnen, bedrijven of
afzonderlijke markten, analyseert macro-economie de economie op een geaggregeerd
niveau.
In de macro-economie wordt er gewerkt met geaggregeerde variabelen zoals:
● Totale productie
● Totale consumptie
1
, 2
● Totale werkgelegenheid
● Inflatie
● Begrotingssaldo
➔ De focus ligt op de evolutie en samenhang tussen deze grootheden binnen een
economie (regio, land, continent of zelfs wereldwijd).
Typische macro-economische thema’s zijn:
● economische groei
● crisis
● werkloosheid
● inflatie
● overheidsbegroting
Vanuit deze analyse ontstaat het idee van stabilisatiebeleid. Dat is beleid dat probeert de
economie stabiel te houden of bij te sturen wanneer er problemen optreden. Voorbeelden
zijn: inflatie bestrijden, reageren op hoge energieprijzen of een pandemie, werkloosheid
verminderen.
Ceteris non paribus
Tot nu toe werkten we binnen de micro-economische analyse. Daar bestuderen we het
gedrag van individuele agenten zoals consumenten en producenten. We kijken
bijvoorbeeld naar de gevraagde hoeveelheid van individu i voor goed j en aggregeren dit tot
de totale vraag en het totale aanbod per markt. Deze analyse is:
● partieel
● gebaseerd op het principe van ceteris paribus
● gericht op één markt tegelijk
We weten dus: als de prijs van één goed stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid van dat
goed. Maar de vraag is nu: kunnen we die redenering zomaar doortrekken naar de hele
economie?
➔ Hier verlaten we het micro-perspectief en stappen we over naar een
macro-economisch perspectief. In macro-economie analyseren we niet één markt
onder “ceteris paribus”, maar bekijken we wat er gebeurt wanneer meerdere
variabelen tegelijk veranderen. Dit noemt men soms ironisch: “ceteris non
paribus” - niet alles blijft constant.
Van micro naar macro
In micro-economie analyseren we één markt tegelijk: prijs × hoeveelheid voor één goed. Stel
nu dat er N goederen en diensten zijn in de economie. De totale economische activiteit is
dan de som van alle transacties: PQ = ∑ pᵢqᵢ
➔ De totale waarde van de economie is de optelsom van alle afzonderlijke markten
samen.
➔ De centrale vraag is nu: als we elk afzonderlijk pᵢqᵢ begrijpen, begrijpen we dan
automatisch ook het geheel PQ?
➢ Het antwoord is: niet volledig. Macro-economie is meer dan de optelsom van
micro om drie redenen.
2
, 3
REDEN 1: DE ECONOMISCHE KRINGLOOP
Macro is niet de optelsom van micro omdat markten met elkaar verbonden zijn via de
economische kringloop. In micro analyseren we één markt onder ceteris paribus.
In macro kan dat niet, omdat productie, inkomen en bestedingen elkaar
voortdurend beïnvloeden.
Een verandering in één markt heeft automatisch gevolgen voor andere markten.
Bijvoorbeeld: als prijzen stijgen, daalt volgens micro de gevraagde hoeveelheid.
Maar macro ziet ook dat hogere prijzen hogere inkomens kunnen betekenen, wat
opnieuw de consumptie beïnvloedt. Dat inkomenseffect wordt in micro vaak
genegeerd, maar in macro niet.
Volgens de wet van Say creëert productie automatisch inkomen en dus vraag,
waardoor het prijsmechanisme voor evenwicht zorgt.
De kern: door de onderlinge afhankelijkheid via de kringloop is macro meer dan de
simpele optelsom van micro.
REDEN 2: GELD
Deze reden toont opnieuw aan dat micro en macro niet op dezelfde manier
redeneren. In micro-economie wordt geld als neutraal beschouwd: meer geld in
omloop zorgt alleen voor hogere prijzen, maar verandert niets aan de reële
kringloop.
➔ De klassieke visie wordt onderbouwd door Fisher met zijn vergelijking MV =
PQ. Als de omloopsnelheid van geld (V) stabiel is en de productie (Q) op
lange termijn vastligt door arbeid en technologie, dan leidt een stijging van de
geldhoeveelheid (M) enkel tot een stijging van het algemeen prijsniveau (P).
Meer geld betekent dus hogere prijzen, maar geen hogere productie. Dit
bevestigt het idee van neutraliteit van geld.
Macro onderzoekt of veranderingen in de geldhoeveelheid of het algemeen
prijsniveau ook invloed kunnen hebben op de reële kringloop (productie,
werkloosheid, groei).
➔ Omdat micro veronderstelt dat geld geen reële effecten heeft en macro net
onderzoekt of dat wél zo kan zijn, kan macro dus niet gewoon de optelsom
van micro zijn.
3