STEMMINGSSTOORNISSEN
Introduc)e
1.1 Wat houdt het in?
à Depressieve stemmingsstoornissen en bipolaire en aanverwante stoornissen
Ø Twee categorieën van stoornissen waarbij de stemming en gemoedstoestand erns4g verstoord zijn
Bij verstoring van de stemming spreekt men ook wel van unipolair en bipolair:
Ø Unipolair = er is sprake van slechts één stemmingstoestand: de depressieve
o Ervaren langdurige neerslach4gheid, gevoelens van waardeloosheid en verlies van energie en interesse
o Blijven vaak maandenlang in deze nega4eve gemoedstoestand, zonder tussen4jdse periodes van
opvallende euforie of verhoogde energie
Ø Bipolair = de stemming wisselt zich af tussen twee uitersten: een depressieve periode en een manische (of
hypomane) periode
o Tijdens een manische episode voelt iemand zich overdreven uitgelaten, vol energie, denkt en spreekt
snel en kan impulsief of risicovol gedrag vertonen
o Deze stemmingsschommelingen kunnen elkaar in snel tempo opvolgen of langere 4jd uit elkaar liggen
o De afwisseling tussen deze hoogte- en dieptepunten is kenmerken voor bipolaire stoornis
§ Vraagt om een andere benadering dan de unipolaire vorm
1.2 DSM
DSM-4 (1994): alle stoornissen die met stemmingsveranderingen te maken hebben, vallen onder één
overkoepelende categorie: ‘Stemmingsstoornissen’ of ‘Mood Disorders’
Ø Zowel depressieve stoornissen als bipolaire stoornissen worden samengebracht
Ø Er werd vooral gekeken naar verstoringen in de stemming (= gemeenschappelijk kenmerk)
1
,DSM-5 (2013): de categorie ‘Stemmingsstoornissen’ werd opgesplitst in ‘Depressieve stoornissen’ en ‘Bipolaire en
aanverwante stoornissen’
Ø Verandering werd doorgevoerd omdat onderzoek aantoonde dat bipolaire stoornissen qua oorzaak, beloop
en behandeling wezenlijk verschillen van depressieve stoornissen
o Deze problema4ek vormt een brug tussen beide classifica4es op vlak van symptomatologie,
familiegeschiedenis en gene4ca
Ø Bipolaire en gene4sch blijken bipolaire stoornissen meer overeenkomsten te vertonen met psycho4sche
stoornissen (bv.: shizofrenie) dan met unipolaire depressies
Ø De behandeling vraagt om andere medica4e à stemmingsstabilisatoren of an4psycho4ca
o « Depressieve stoornissen worden behandeld met an4depressiva
Depressieve stoornissen:
Ø Anhedonie is een hoofdkenmerk
= het onvermogen om plezier of interesse te ervaren in ac4viteiten die je normaal gesproken wel leuk of
vreugdevol vond
o Het brein reageert niet meer op beloningen of fijne ervaringen
o Bv.: hobby’s, eten, sociaal contact à alles voelt leg of vlak aan
Ø Verminderde concentra4e
Ø In nega4eve spiraal terecht komen
Ø Overdreven veel of weinig slaap
Ø Gewichtstoename of -afname
2
, Depressieve stemmingsstoornis
Depressieve stoornissen = worden gekenmerkt door een unipolaire stemming, namelijk de depressieve
2.1 Filmfragment ‘I had a black dog, his name was depression’
2.1.1 Welke symptomen komen aan bod?
Ø Depressieve stemming
Ø Verlies van interesse of plezier
Ø Verminderde eetlust
Ø Vermoeidheid en energieverlies
Ø Verminderd concentra4evermogen
2.1.2 Wat is de impact op het dagelijks leven en rela)es?
Ø Ac4viteiten uitvoeren vraagt veel energie
Ø Vroegere plezierige ac4viteiten leveren geen voldoening meer op
Ø De persoon verliest zelfvertrouwen en is bang om beoordeeld te worden
Ø De persoon wordt prikkelbaarder en ervaart minder liefde en in4miteit
Ø De persoon verbergt de depressie uit schaamte
Ø De persoon raakt uiteindelijk geïsoleerd van anderen
2.1.3 Wat is belangrijk voor deze persoon in de weg naar herstel?
Ø Professionele hulp zoeken
Ø Openheid: eerlijk zijn tegenover mensen die dichtbij staan
Ø Een passende behandeling
Ø Leren omgaan met stress en vermoeidheid
Ø Regelma4g bewegen
Ø Stemmingsdagboek bijhouden; gedachten op papier zeYen
Ø Dankbaarheid bijhouden; noteren waarvoor je dankbaar bent
Ø Problemen aanpakken: ze onder ogen zien i.p.v. ervoor weg te lopen
Ø Knnis, geduld, discipline en humor helpen om depressie beter onder controle te krijgen
Ø Hulp durven vragen à beseffen dat er geen schaamte hoe\ te zijn rond hulp zoeken
3
, Depressieve stemmingsstoornis
Subtyperingen
2.1 Depressie – subtypes
Depressie = paraplubegrip voor verschillende soorten stemmingsstoornissen die in ernst, ui4ngsvorm, verloop,
oorzaak en duur erg kunnen verschillen van elkaar
De DSM-5 onderscheidt de volgende depressieve stoornissen:
Ø Disrup4eve stemmingsdisregula4estoornis (DMDD)
Ø Majeure depressieve stoornis
Ø Persisterende depressieve stoornis (dysthymie)
Ø Premenstruele stemmingsstoornis (PMDD)
Ø Depressieve-stoornis door een middel/medica4e
Ø Depressieve-stoornis door een soma4sche aandoening
Ø Andere gespecificeerde depressieve-stoornis
Ø Ongespecificeerde depressieve-stoornis
EXAMEN: alle kenmerken kennen! Je moet ze in een casus kunnen herkennen en argumenteren waarom het om een
bepaalde stoornis gaat
2.2 Subtypes: ernst
Licht
Ø Symptomen zijn er
Ø De symptomen zijn licht
Ø Symptomen hebben invloed op het dagelijks leven
Ø Dagelijkse ac9viteiten kunnen meestal worden voortgezet
Ø Wordt niet al9jd opgemerkt
o Zowel door persoon zelf, als door de omgeving
Ø Symptomen worden weggeschoven met een ‘excuus’ als:
o Iedereen heeE het druk, het gaat wel weer over
Ø Risico dat klachten aanhouden of verergeren zonder 9jdige ondersteuning
4