0. DENKMODEL BIJ ELKE CASUS 2. ANAMNESE: EERST LATEN VERTELLEN, DAN GERICHT STUREN
Een goede diagnostische aanpak steunt altijd op 3 pijlers: Volledige anamnese bevat:
1. Patiëntenprofiel • Pijnanamnese
2. Anamnese • Systeemanamnese
3. Klinisch onderzoek • Medische/chirurgische voorgeschiedenis
• Familiaal
Þ Je integreert argumenten uit die 3 pijlers om je DD te bouwen. Vaak kan je • Medicatie + allergieën
zo al een diagnose stellen zonder beeldvorming. • Middelen (alcohol/roken/drugs)
• Sociale anamnese: werk, sport, steun thuis
Gouden regel: extra onderzoeken (beeldvorming/technisch) doe je alleen als
de uitslag het beleid kan veranderen. Pijnanamnese (meest richtinggevend)
• Zelfde beleid bij 2 DD’s → meestal géén extra onderzoek Vraag systematisch:
• Andere subtypes met ander beleid (bv. operatief vs conservatief)
→ wél onderzoeken • Lokalisatie (laat aanwijzen)
• Uitstraling
• Karakter (stekend/brandend/elektrisch/…)
1. PATIËNTENPROFIEL: “PAST DIT BIJ DE PATIËNT?” • Ernst (NRS 0–10 + reactie op medicatie)
• Begin (acuut/subacuut/chronisch, context/trauma)
• Evolutie
Patiëntenprofiel stuurt je DD onmiddellijk:
• Tijdsverloop (ochtend/avond/nacht, inspanning)
o Nachtelijke pijn: houding-afhankelijk of niet?
• Leeftijd
• Verergerend/verzachtend
• Geslacht
• Invloed van beweging: steunname, spiertractie, inklemming, rek
• Co-morbiditeit
• Begeleidende symptomen
• Activiteitsgraad (werk/sport)
• CV-risicofactoren
Systeemanamnese: wanneer zeker doen?
• …
• Als reumatologie/ontsteking in DD zit
Þ Sommige diagnosen worden hierdoor onwaarschijnlijk of zelfs quasi
• Als je aan niet-MSK oorzaak denkt (bv. liespijn = hernia?)
uitgesloten.
• Niet-MSK factoren kunnen MSK-problemen beïnvloeden
(bv. hormonale problemen → stressfracturen)
,3. KLINISCH ONDERZOEK: VASTE VOLGORDE + VERGELIJKEN o Flip/Slump (neurodynamisch, “verborgen” test)
o Femoral nerve stretch (buiklig, heuphyperecstensie) → L2–L4
Altijd volgens dezelfde “bouwstenen”: o Drukbelteken (paralumbaal drukken → typische ischias)
• Inspectie Heup
• Actief + passief bewegingsonderzoek
• Krachttesten • Inspectie: bekkenhoogte, gang
• Palpatie • Trendelenburg (heupabductoren/gluteus medius, of pijn coxartrose)
• Specifieke testen • ROM vooral passief: flexie, endo/exorotatie
• Tests: FADIR (FAI/labrum), FABER (plaats van pijn navragen)
Basisregels: • Liespijn: coxartrose/iliopsoas/FAI
• Laterale pijn: soms lumbale oorsprong
• Altijd links-rechts vergelijken (eerst gezonde zijde) • Posterieur: SI-gewricht
• Let op asymmetrie, compensaties, gelaatsreactie
• Beperking/pijn bij ROM kwantificeren (graden; verschil actief vs Knie
passief)
• Soms extra onderzoek andere orgaansystemen als DD dat vraagt • Inspectie: varus/valgus, suprapatellaire zwelling, quadricepsatrofie
(bv. vasculaire vs neurogene claudicatio; abdomen bij rugpijn) • Hydrops: patella “dans”
• Meniscus: McMurray, Apley (grinding), hurktest
• Collateralen: valgus (MCL) / varus (LCL) in extensie + 30° flexie
4. REGIONALE KERNPUNTEN o Instabiliteit in extensie → vaak ernstige/volledige ruptuur
• ACL: voorste schuiflade + Lachman (belangrijkste)
Lumbale wervelkolom • PCL: posterior sag sign
• Inspectie: gang, bekkenhoogte, lordose, scoliose (+ bij flexie) Enkel/voet
• Beweging: flexie/extensie/lateroflexie/rotatie + Kemp-test
o Pijn bij Kemp → facet-bron
• Inspectie: zwelling, voetstatiek, extensorpezen zichtbaar?
• Schober: 10 cm → moet ≥ 15 cm bij flexie (AS, axiale OA,…)
• ROM: dorsiflexie/plantairflexie/inversie/eversie
• Neuro onderzoek segmentaal:
• Palpatie: fascia plantaris, achillespees
o L2 heupflexie
• Acute trauma: Ottawa ankle rules
o L3 knie-extensie
o L4 voetdorsiflexie
o L5 halluxdorsiflexie
o S1 plantairflexie
o Reflexen: patellair (L3), Achilles (S1)
o Perineum-sensibiliteit bij verdenking cauda equina
• Specifieke testen:
o SLR/Lasègue positief bij 30–70° → L4–S1 radiculair
o Bragard (SLR + dorsiflexie voet)
,Cervicale wervelkolom 5. ALGEMEEN PRAKTIJKVOEREN: PIJNPATROON = RICHTINGGEVEND
Pijnpatronen (must know):
• ROM: flexie/extensie/rotatie/lateroflexie (links-rechts vergelijken!)
• Segmentaal neuro: C5 abductie, C6 elleboogflexie, C7 extensie, C8–
T1 vingers spreiden • Osteogeen: hevig, erger bij belasting/steunname
• Reflexen: biceps (C5–6), brachioradialis (C6), triceps (C7) • Articulair: erger bij belasting + zwelling/hydrops/slotklachten
• Spurling: extensie + lateroflexie (± compressie) → radiculaire pijn; • Spier: pijn bij rek + contractie (kan zonder steunname)
• Pees: pijn bij rek + contractie; startpijn, beter na opwarming, terug na
onderscheid lokaal facet vs dermatomale uitstraling
stoppen; ochtend-/startstijfheid
• Kapsel/ligament: scherp, kortdurend
Schouder
• Neurogeen/neuropathisch: scherp/elektrisch/brandend,
tintelingen/doof gevoel, dermatomale uitstraling; DN4 kan helpen
• Inspectie: schouderhoogte, spieratrofie, clavicula, scapula winging
• Ischemisch (arterieel): drukkend, neemt toe tot onhoudbaar
(n. thoracicus longus of scapulaire dysfunctie)
(claudicatio/angina)
• ROM: exorotatie 0°, abductie (painful arc), elevatie,
endorotatie+retroflexie (hand achter rug; wervelhoogte vergelijken)
• Kracht: endo/exorotatie + abductie (scapulair vlak)
• Palpatie: AC, tuberculum majus, bicepspees, acromionhoek 6. KLINISCHE TESTEN EN BEELDVORMING: VALKUILEN
• Impingement: Yocum, Hawkins, Jobe (“empty can”)
• Instabiliteit: apprehension ± relocatie • Geen enkele test is 100% accuraat → negatief sluit niet uit, positief
bevestigt niet Þ altijd klinisch integreren!
Elleboog
Beeldvorming: alleen als beleid verandert.
• Inspectie: olecranon zwelling → bursitis Valkuilen:
• ROM: flex/ext + pro/sup
• Palpatie: laterale/mediale epicondyl, cubitale tunnel (n. ulnaris) • Asymptomatische bevindingen (toeval)
• Laterale epicondylalgie: triade • Predictieve waarde overschatten
o drukpijn laterale epicondyl • Radiologie niet correleren met klachten
o pijn bij weerstand extensoren
o pijn bij stretch extensoren (elleboog in extensie) Klassieke toevalsbevindingen:
Pols/hand • discus hernia op NMR
• rotator cuff scheuren bij (sport)populatie
• Inspectie: zwelling/cystes; extensorpezen verdwijnen bij tenosynovitis • labrumscheuren heup op NMR
• Scaphoïd: anatomische snuifdoos drukpijn na FOOSH → RX scaphoïd • radiologische artrose zonder klachten
• Finkelstein: De Quervain (asymmetrie belangrijk)
• Tinel (30–60 sec) ± Phalen bij carpal tunnel
• Grinding duimbasis: rhizartrose
, 7. THERAPEUTISCH CONCEPT
Therapie moet steunen op:
• correcte diagnose
• vermijden van overdiagnose/overbehandeling
• strategische chronologie (geen “pluk-geneeskunde”)
• functionele analyse
• patient empowerment