2 nieuwe vaardigheden:
Lopen
- exploratie en ontdekking
Taal
- Sociale communicatie
- Ondersteunt het denkproces
4.1 LICHAMELIJKE & MOTORISCHE GROEI
Grove motoriek
Rechtop lopen beter onder controle
Start met aarzelende passn
Wordt geleidelijk geautomatiseerd
Daardoor aandacht vrij voor andere zaken tijdens het lopen
En meer ingewikkelde bewegingen
Fijne motoriek
Stapelen van blokken (duplo – of groter)
Kralen rijgen (grove)
Pagina’s draaien (dikke, kartonnen bladzijden)
Zelfstandig eten met lepel
Eenvoudige kledij aan- en uittrekken
Zindelijkheidstraining
Voorwaarden:
Opmerken/ herkennen subtiele zintuigelijke gewaarwordingen
Zekere controle over sluitspieren
Motivatie
Meeste kinderen zindelijk:
Eerst stoelgang, later urine
Overdag rond 2 à 2,5 jaar
’s nachts tussen 3 & 4 jaar
o Kindgerichte aanpak
o Vaste routine
o Af en toe de pamper weglaten
o Positief bevestigen bij succes
o Geduld
o Een tijdelijke terugval is mogelijk
4.2 GROEI IN DE WAARNEMING EN DE COGNITIE
, Levenslooppsychologie – hoofdstuk 4: de peutertijd
4.2.1 WAARNEMING
Beter in staat om hun aandacht op iets te richten
• Vormdiscriminatie
= het opmerken van verschillen tussen
eenvoudige geometrische figuren
4.2.2 LEREN EN GEHEUGEN
• Kunnen steeds beter dingen onthouden
• Vlot de weg in huis vinden
• Lievelingsspelletjes
• Favoriete prentenboek
Expliciete geheugen
- Wat we ons als volwassene bewust kunnen herinneren
Impliciete geheugen
- Vroegere ervaringen die onbewust in ons gedrag blijven hangen
- Ervaringen die verankerd blijven in ons gedrag en onze persoonlijkheid – ook
negatieve ervaringen
4.2.3 DENKEN EN FANTASEREN
INNERLIJKE VOORSTELLINGEN
• Pre-operationeel denken (Piaget)
• Kunnen nu beelden in hun hoofd bedenken zonder dat die er echt zijn
• Kennen wel nog niet het verschil tussen realiteit en fantasie
Denken
• = beelden oproepen in je geest van iets wat je niet ziet op dit moment
Fantaseren
• Beelden kan je ook fantaseren in je geest
• Voor peuters soms moeilijk om onderscheid te maken tussen echt en ingebeeld.
4.2.4 TAALONTWIKKELING