Hersenstructuur Functie Aandoeningen Gevolgen
Hogere cognitieve functies
CVA (beroerte), trauma, Verlies van spraak,
Cerebrale cortex zoals denken, waarnemen,
dementie (bv. Alzheimer). geheugenverlies, verlamming.
beslissen en plannen.
Executieve functies,
Frontaalkwabsyndroom, Impulsief gedrag, slechte
Frontale kwab motorische controle, gedrag
schizofrenie. planning, apathie.
en persoonlijkheid.
Sensorische verwerking (tast,
CVA, hersentrauma, Onvermogen tot ruimtelijk
Pariëtale kwab positie), ruimtelijke
neglectsyndroom. inzicht, neglect.
waarneming.
Laesie door trauma, tumor, Corticale blindheid, visuele
Occipitale kwab Visuele informatieverwerking.
beroerte. hallucinaties.
Geheugen, auditieve Temporale epilepsie, Geheugenverlies, auditieve
Temporale kwab
verwerking, taalbegrip. Alzheimer. hallucinaties, afasie.
Anterograde amnesie
Geheugenvorming en Alzheimer, hypoxie,
Hippocampus (onvermogen nieuwe
ruimtelijke navigatie. epilepsie.
herinneringen te vormen).
Emotie (vooral angst en
Angststoornissen, Verstoorde emotieherkenning
Amygdala agressie), geheugen van
depressie, PTSD. en angstreacties.
emoties.
Schakelstation voor
Thalamische beroerte, Sensorische stoornissen,
Thalamus sensorische en motorische
tumor. motorische uitval.
informatie.
Regulatie van motorische
Nucleus Ziekte van Parkinson, Contralateraal hemiballisme
controle (remming van
subthalamicus hemiballisme. (onwillekeurige bewegingen).
ongewenste bewegingen).
Initiatie en regulatie van
Parkinson, Huntington, Tremor, rigiditeit, chorea
Basale ganglia beweging, houding en leren
dystonie. (slingerbewegingen).
van bewegingen.
Coördinatie van beweging, Ataxie, cerebellaire CVA, Ongecoördineerde bewegingen,
Cerebellum
balans, en motorisch leren. alcoholmisbruik. evenwichtsproblemen.
Oogbewegingen, motorische
Mesencephalon Parkinson (dopamineverlies Tremor, rigiditeit, verstoorde
controle, auditieve en visuele
(middenhersenen) substantia nigra). reflexen.
reflexen.
Geleiding van motorische en
Verlamming, moeite met
Pons sensorische informatie; Locked-in syndroom, CVA.
ademhaling.
ademhaling.
Vitale functies: ademhaling, CVA, verlamming door Ademhalingsstilstand,
Medulla oblongata
hartslag, bloeddruk. trauma. hartstilstand, overlijden.
Regulatie van homeostase: Diabetes insipidus, Verstoorde
Hypothalamus honger, dorst, temperatuur, obesitas, hormonale lichaamstemperatuur,
hormonen. stoornissen. metabole problemen.
Verbinding tussen hersenen
Hersendood, syndroom van Ademhalings- en hartstilstand,
Hersenstam en ruggenmerg, basisfuncties
Wallenberg. bewusteloosheid.
zoals hartslag.
,INLEIDING
1. KRACHT
• Normale kracht vereist:
1. Hoger motorneuron
2. Lager motorneuron
3. Skeletspier
• Soorten krachtsverlies:
o Parese: Gedeeltelijk verlies
o Paralyse: Volledige verlamming
1.1. Hoger motorneuron
• Locatie cellichamen: Cerebrale cortex, vooral frontale kwab, vóór de sulcus centralis.
• Somatotopische organisatie (motorische homunculus):
o Been → mediaal
o Romp, arm, hoofd → lateraal
• Belangrijke banen:
o Corticospinale baan (piramidebaan):
§ 85% kruist in de decussatio pyramidum → tractus corticospinalis lateralis
§ 15% daalt ongekruist af → tractus corticospinalis anterior
o Corticobulbaire baan: Projecteert naar craniale zenuwkernen.
• Belangrijke klinische aspecten:
o Corticospinale → Contralaterale invloed
o Corticobulbaire → Grotendeels bilateraal, met uitzonderingen:
§ Onderste helft gelaat (n. VII) → contralateraal
§ Tongspieren (n. XII) → contralateraal
1.2. Lager motorneuron
• Locatie cellichamen:
o Motorische kernen van craniale zenuwen in de hersenstam
o Voorhoorn van het ruggenmerg
• Axonen lopen via de voorste wortel, de plexus en de perifere zenuwen naar skeletspieren.
1.3. Spier
• Motorische eenheid: Motorneuron + geïnnerveerde spiervezels
• Neuromusculaire junctie: Acetylcholine (ACh) → nicotinereceptoren → spiercontractie.
2. REFLEXEN
2.1. Peesreflexen
• Mechanisme:
o Spierspoeltjes → afferente impuls → ruggenmerg → efferente impuls → spiercontractie
o Monosynaptisch (sensibel neuron ↔ motorisch neuron).
• Belangrijkste reflexen:
o Biceps-, triceps-, kniepees-, achillespees-, masseterreflex, Hoffmann-Trömner.
2.2. Exteroceptieve reflexen
• Uitgelokt door huid- of optische prikkels (vb. pupilreflex).
• Polysynaptisch verloop.
,3. KLINISCHE GEVOLGEN VAN AANTASTING
3.1. Aantasting van het hoger motorneuron
• Locatie: Cortex, capsula interna, hersenstam of ruggenmerg.
• Klinische kenmerken (piramidaal syndroom):
o Krachtsverlies:
§ Contralateraal bij supratentoriële laesies = boven decussatio pyramidum
§ Ipsilateraal bij ruggenmerglaesies. = onder decussatio pyramidum
o Verhoogde reflexen (hyperreflexie):
§ Levendige peesreflexen: biceps-, triceps-, kniepees-, of achillespeesreflexen
§ teken van Babinski: voetzoolreflex verloopt in extensie i.p.v. in flexie
§ teken van Hoffmann-Trömner: aanwezig (indien bilateraal, niet per se pathologisch)
o Verlies van huidreflexen:
§ Buikhuidreflex en cremasterreflex vaak afwezig.
o Spasticiteit:
§ Snelheidsafhankelijke hypertonie: hoe sneller, hoe meer
§ Asymmetrisch: agonist > antagonist.
§ Knipmesfenomeen: hypertonie meer uitgesproken in het begin van de passieve beweging en
dan plotese vermindering
3.2. Aantasting van het lager motorneuron
• Locatie: Voorhoorncel of motorische craniale zenuwkern.
• Klinische kenmerken:
o Krachtsverlies: Ipsilateraal en segmentaal patroon.
o Verminderde reflexen (hyporeflexie/areflexie).
o Hypotonie: Verlaagde spiertonus.
o Spieratrofie: Bij chronische letsels.
o Fasciculaties: Onvrijwillige spiertrillingen door motorneuronactiviteit.
3.3. Aantasting van de spier
• Klinische kenmerken:
o Symmetrisch krachtsverlies, vooral proximaal.
o Spieratrofie bij chronisch verloop.
o Normale of verlaagde reflexen
4. VAN NORMALE KRACHT NAAR NORMALE BEWEGING: BASALE GANGLIA EN CEREBELLUM
• Normale beweging vereist intacte basale ganglia en cerebellum
• Letsels van deze structuren veroorzaken geen krachtsverlies, maar motorische stoornissen
4.1. Basale ganglia
• Structuur:
1. Striatum (nucleus caudatus + putamen)
2. Globus pallidus (internus + externus)
3. Substantia nigra (pars compacta + pars reticulata)
4. Nucleus subthalamicus
• Functie:
o Faciliteren van gewenste bewegingen.
o Onderdrukken van ongewenste bewegingen.
o Communicatie met ipsilaterale cerebrale cortex via thalamus.
→ letsels van basale ganglia verstoren altijd de motoriek van de contralaterale lichaamshelft
• Klinische stoornissen:
o Hypokinetische syndromen: Bewegingsarmoede en rigiditeit.
→ Rigiditeit verschilt van spasticiteit:
§ Voelbaar bij langzame bewegingen
§ Gelijk in agonisten/antagonisten
§ Constant over bewegingstraject
, o Hyperkinetische syndromen:
§ Tremor: oscillatorische, ritmische beweging (rusttremor bij basale ganglia, intentietremor
bij cerebellum)
§ Rusttremor: → typisch voor dysfunctie basale ganglia (nigrostriatale baan)
§ Actietremor:
§ houdingstremor (posturale tremor)
§ bewegingstremor (kinetische tremor)
bv. intentietremor → typisch voor cerebellaire dysfunctie
§ Chorea: Snelle, onvoorspelbare bewegingen
§ Ballisme: Grote, wilde bewegingen (vaak infarct contralaterale nucleus subthalamicus)
§ Dystonie: Langzame, verdraaiende bewegingen die stereotype spieren treffen
§ Initieel: actiedystonie – bij uitvoeren van vrijwillige handeling
§ Later: dystone bewegingen kunnen continu aanwezig zijn
§ Tics: semi-vrijwillige snelle bewegingen/geluiden als respons op een onvrijwillige inwendige
sensatie
o Opmerking: de meeste dyskinesieën nemen toe bij stress en verminderen/verdwijnen tijdens slaap
4.2. Cerebellum
• Structuur:
o Bestaat uit hemisferen en vermis.
o Verbonden met centraal zenuwstelsel via:
§ Pedunculus inferior: Afferenten uit ruggenmerg/hersenstam.
§ Pedunculus medius: Afferenten uit contralaterale pons.
§ Pedunculus superior: Efferenten naar hersenstam en thalamus.
• Functie:
o Coördineren van bewegingen via circuit met contralaterale cortex
→ letsels van het cerebellum verstoren altijd de motoriek van de ipsilaterale lichaamshelft
• Klinische stoornissen:
o Ataxie: Ongecoördineerde bewegingen
§ Hypermetrie/dysmetrie: Beweging schiet voorbij doelwit.
§ De agonisten worden te laat geactiveerd
§ Test: vinger-neus-proef en hiel-knie-proef
§ Intentietremor: Oscillaties bij naderen van doelwit.
§ Rebound fenomeen: Uitschieten bij plots wegvallen van weerstand.
§ Door te late activatie van de antagonist
§ Dysdiadochokinese: Onregelmatige alternerende bewegingen.
§ door slechte coördinatie van agonisten en antagonisten
o Hypotonie: Tijdelijk bij acute letsels.
o Cerebellaire dysartrie: Staccato (gescandeerde spraak), “dikke tong”-spraak.
o Gangataxie: Onregelmatige paslengte/spoor, breed gangspoor (“dronkenmansgang).
§ Vooral bij aantasting vermis
§ Test: koorddansersgang (op rechte lijn telkens de hiel tegen de tenen zetten) = onmogelijk
5. SENSIBILITEIT
Algemene structuur:
• Sensibele informatie:
o Geleid via perifere zenuw, plexus en dorsale wortel naar CZS.
o Eerste neuronen: pseudo-unipolaire neuronen (cellichamen in dorsale ganglia).
o Dermatoom: huidgebied met verminderd gevoel bij uitschakeling van één achterwortel.
o Gevolg van schade aan sensibele zenuwen/dorsale wortels:
§ Hypo- of areflexie van peesreflexen (reflexboogonderbreking).
Types sensibiliteit:
1. Vitale sensibiliteit:
o Pijnzin, temperatuurszin, grove tastzin.
2. Gnostische sensibiliteit:
o Fijne tastzin, vibratiezin, tweepuntsdiscriminatie, proprioceptie (positiezin, bewegingszin),
lijntjesoriëntatie.