H1: INLEIDING IN DE GEDRAGSBIOLOGIE
3. HET BIOPSYCHOSOCIAAL MODEL
Biedt verschillende perspectieven op menselijk gedrag.
Niet zoals Jan met de pet.
Of op een professionele manier nl. breed kijken!
Verschillende invalshoeken vullen elkaar in.
Geen of-of verhaal maar een EN-EN verhaal maar iets kan wel zwaarder doorwegen vb
meer sociologische factoren dan biologische MAAR altijd meerdere factoren aanwezig.
BIOLOGISCHE FACTOREN (VOORBEELDEN):
Hersenen. Erfelijkheid. Evolutionaire
Neurotransmitters. Prenatale factoren. factoren.
Hormonen.
OMGEVINGSFACTOREN VOORBEELDEN:
Gezinssituatie. Sociale omgeving.
Opvoeding. Cultuur.
PSYCHOLOGISCHE FACTOREN
ZELFBEELD: hoe iemand zichzelf ziet, kan beïnvloeden hoe hij zich gedraagt.
KARAKTER EN TEMPERAMENT: ieder persoon heeft een uniek karakter en temperament, die
bepalen hoe iemand reageert op situaties.
INTELLIGENTIE: het vermogen om problemen op te lossen, informatie te verwerken en te
leren verschilt per persoon, wat ook leidt tot gedragsverschillen.
Deze psychologische factoren helpen verklaren waarom kinderen binnen hetzelfde gezin toch
verschillende gedragingen en opvattingen kunnen ontwikkelen.
In de orthopedagogiek, is het belangrijk om deze verschillende factoren samen te bekijken.
Gedragsbiologie: onderzoekt de biologische factoren van bio-psycho-sociaal model. Vaak zijn er
meerdere verklaringen mogelijk voor het gedrag.
4. NATURE-NURTURE:
NATURE STANDPUNT
AANGEBOREN STANDPUNT = Menselijk gedrag wordt verklaard door
erfelijke/aangeboren/biologische factoren. Onze rol is hierbij tot minimum beperkt.
NURTURE STANDPUNT
AANGELEERDE STANDPUNT = Menselijk gedrag wordt verklaard door omgeving. De rol van de
opvoeder is van cruciaal belang.
1
,INTERACTIONISTISCH STANDPUNT
Menselijk gedrag wordt verklaard door aanleg, omgeving en interactie tussen aangeboren en
omgevingsfactoren.
Voorbeeld: een actief kind ontlokt andere reacties aan de sociale omgeving dan een passief kind.
Een kind dat steeds op zoek is naar nieuwe uitdagingen zal een andere omgeving verkennen dan
een kind dat angstig is en dicht bij huis blijft.
5. HOMEOSTASE
= Is het proces dat er op gericht is om het evenwicht in het menselijk lichaam te bewaren.
Doel: het intern milieu van het lichaam constant houden = levensbelangrijk.
Menselijk lichaam maakt hierbij gebruik van negatieve feedbackmechanismen.
o Negatieve fb: de reactie is tegenovergesteld. Voorbeeld: temperatuurregeling: te
koud -> lichaam zorgt dat je het warmer krijgt.
o Positieve fb: de reactie is (meer van) hetzelfde. Voorbeeld: hoe meer het kind drinkt,
hoe meer melkproductie.
Homeostase maakt gebruik van negatieve feedbackmechanismen. Het homeostatisch
regelsysteem verloopt op drie niveau’s:
1. Detector: voelt wat er aan de hand is.
2. Controlecentrum: ontvangt en verwerkt deze informatie. Stuurt het
signaal door naar de hersenen om te bepalen wat er aan de hand is en
wat er gedaan moet worden.
3. Effector: zorgt voor een reactie, kunnen spieren/hormonen/klieren zijn.
H2: EVOLUTIE EN MENSELIJK GEDRAG
2
,3. EVOLUTIETHEORIE IN EEN NOTENDOP
Evolutietheorie:
o Als een dier/mens/plant een eigenschap heeft waardoor hij beter kan overleven dan
een soortgenoot.
o Dit dier/mens/plant heeft dan ook meer kans om zich voort te planten (=biologisch
succesvol).
o De nakomelingen zullen waarschijnlijk ook desbetreffende eigenschap overerven.
Basistermen:
Genetische variantie: binenn elke soort bestaan er individuele verschillen die erfelijk zijn.
Adaptatie (=aanpassing) aan de (veranderende) omgeving. Sommige eigenschappen
zorgen ervoor dat je je beter kan aanpassen aan de omgeving -> je hebt dan een grotere
overlevingskans en dus ook kans om je voort te planten (survival of the fittest).
Sommige eigenschappen zorgen ervoor dat je niet goed aangepast bent aan veranderingen
in de omgeving -> kleinere overlevingskans (struggle for life).
Natuurlijke selectie: eigenschappen die niet goed aansluiten bij de omgeving bedreigen
de overlevingskans- en voorplantingskansen van het individu.
Voorbeeld Galápagoseilanden:
Die hadden grote vinken met stevigere bekken en kleine vinken met smalle en minder stevige
bekken (=genetische variatie).
’76-78: grote droogteperiode -> minder voedsel -> adaptatie aan de omgeving nodig!
o Grote vinken: grote, harde zaden.
o Kleine vinken: geen harde zaden, dus minder voedsel.
Hierdoor stierven er veel kleine vinken (=natuurlijke selectie).
’83: natte periode -> er groeit ander voedsel -> adaptatie aan de omgeving is nodig!
o Kleine vinkelnmet smalle bek: kunnen beter aan de kleinere zaden.
o Grote vinken -> kunnen met hun grote bek niet aan de kleine zaden.
Hierdoor stiever er veel grote vinken (=natuurlijke selectie).
4. MENSELIJK GEDRAG VERKLAARD VANUIT DE EVOLUTIEPSYCHOLOGIE
POLYGAMIE – MONAGAMIE
Zoogdieren = polygaam: ouderlijke investering is ongelijk & sneller opgroeien.
Mensen = monogaam: gelijkere ouderlijke investering & opgroeien duurt lang.
Keuze van partner:
Vrouwen gaan op zoek naar behulpzame, betrouwbare partner als vader voor hun kinderen
die een hulp kan zijn bij de zorg voor de kinderen.
Mannen zoeken dit ook, maar vooral jeugdigheid, seksuele aantrekkelijkheid -> meer kans
op reproductief succes (=biologisch succesvol).
5. DARWIN IN DE SUPERMARKT…
3
, EVOLUTIE ALS DIKMAKER
Vroeger: Nu:
Wat gegeten werd, werd verbrand. Minder moeite om voedsel te vinden -> we
eten meer dan nodig.
Voorkeur voor vet/suikers -> reserve Voorkeur voor vet/suikers & groot aanbod aan
aanleggen voor barre tijden. vet/suikers.
Rauwe, harde voeding -> maaltijd duurt 30-45 Maaltijdduur < 30-45 min -> we voelen ons
min -> verzadigingsheidsgevoel. nog niet verzadigd op einde van de maattijd ->
eten meer dan nodig.
PIJN: EVOLUTIONAIRE (ON)ZIN
Zonder pijn leven = levensgevaarlijk vb gebroken been, appendictis.
Pijn is een signaal dat er iets fout is, waardoor je gaat ingrijpen.
Pijn is meer kans op overleving (survival of the fittest) -> meer reproductief succes,
waardoor we genen kunnen doorgeven.
COMAZUIPERS VOOR OPVOEDERS…
Bij een groep horen -> verhoogt overlevingskansen. Andere groep vermijden -> verhoogt
overlevingskansen.
De eigen groep kunnen herkennen -> handelen zoals de groep handelt.
Mensen willen nog steeds tot een groep horen én niet vereenzelvigd worden bij een andere
groep.
Gebruik dit bij voorlichtingscampagnes!.
Voorlichting uit een evolutionaire invalshoek…
Groep 1: tekst lezen over politiek en popcultuur.
Groep 2: tekst ‘gamers eten meer ongezond junkfood’ -> groep 2 bestelde gezondere
voeding -> studenten willen niet geassocieerd worden met gamers.
H3: GENEN EN GEDRAG
3. INLEIDENDE BEGRIPPEN:
DE CEL
Alle cellen in ons lichaam bevatten volgende onderdelen:
Celmembraan: houdt het geheel samen en zorgt voor een selectieve uitwisseling tussen het
inwendige van een cel en haar omgeving.
Celkern: =nucleus. Bewaart erfelijk materiaal.
Cytoplasma: =celsap. Daar spelen alle stofwisselings-
processen zich in de cel af.
4