FILOSOFIE — UITGEBREIDE CURSUSSAMENVATTING..........................................................................2
DEEL 1 — INLEIDING: DE AARD VAN DE FILOSOFISCHE VRAAG......................................................2
1.1 Aard van de vraagstelling......................................................................................................................... 2
1.2 Schrik voor de filosofie.............................................................................................................................. 3
1.3 De plaats van de filosofische vraag: de “ton” van Diogenes.......................................................4
1.4 Filosofie en sociaal agogisch werk........................................................................................................ 4
1.5 Historisch ontstaan van de filosofie..................................................................................................... 5
DEEL 2 — PLATO (427-347 v.Chr.).................................................................................................................. 7
Situering: tegen wie/wat reageert Plato?................................................................................................. 7
2.1 Plato als antwoord op Parmenides....................................................................................................... 7
2.2 Denken als eros.......................................................................................................................................... 14
2.3 Plato’s socio-politieke visie................................................................................................................... 16
2.4 Lectuurtekst: Plato, De Staat III, 414B-415D (opvoeding, waarheid en de “ultieme
leugen”)................................................................................................................................................................ 17
Mogelijke examenvragen (open vraag-stijl) met antwoordstructuur........................................20
Samenvatting: Aristoteles + Middeleeuwen (Augustinus & Thomas van Aquino).....................21
1. ARISTOTELES — “De mens als ‘physisch’ wezen”.........................................................................21
2. MIDDELEEUWEN — Algemeen kader................................................................................................ 27
3. AUGUSTINUS................................................................................................................................................. 29
4. THOMAS VAN AQUINO.............................................................................................................................. 32
Korte brug naar de Moderne Tijd.............................................................................................................. 36
Samenvatting: Moderne Tijd — Algemeen Kader, Descartes, Spinoza/La Mettrie, Kant........36
1. MODERNE TIJD — ALGEMEEN KADER (4.1 MODERNITEIT)...................................................36
2. DESCARTES (4.2 “DE MENS IS ‘TWEE’”)............................................................................................ 39
3. KANT (4.3 “DE VRAAG NAAR DE MENS ALS KRITISCHE VRAAG NAAR ZIJN EIGEN
GRENS”)................................................................................................................................................................ 47
4. MOGELIJKE EXAMENVRAGEN............................................................................................................... 56
Bronvermelding binnen de cursus (paginaverwijzingen PDF).....................................................58
Samenvatting Hedendaagse Tijd — Nietzsche, Freud, Besluit & Begrippenlijst.........................58
1. NIETZSCHE — “De mens als transgressieve wil” (5.1, p.118-134).........................................58
2. FREUD — “Herontdekking van de mens als verlangen” (5.2, p.135-140)............................62
3. Nietzsche vs. het rationalistische mensbeeld (Kant/Descartes)..............................................64
4. BESLUIT (hoofdstuk 6) — hoofdlijn van de hele cursus.............................................................65
, 5. BEGRIPPENLIJST — selectie belangrijkste termen (hoofdstuk 7)..........................................67
6. Mogelijke examenvragen — NIETZSCHE........................................................................................... 68
7. Mogelijke examenvragen — FREUD.................................................................................................... 69
FILOSOFIE — UITGEBREIDE CURSUSSAMENVATTING
VIVES hogeschool — cursus B. Verdonck — volledige inhoud, van de Inleiding tot en met Freud
Deze samenvatting volgt de opbouw van de cursus zelf en is aanzienlijk gedetailleerder dan
het compacte overzicht in de examengids: ze bevat de argumentatie, voorbeelden, citaten
en exacte terminologie zoals de cursus die zelf gebruikt, per hoofdstuk aangevuld met
kernbegrippenlijsten en mogelijke examenvragen.
Gebruik: dit document is bedoeld om te lezen en te doorgronden (niet woordelijk te
memoriseren). Voor actief oefenen op de 14 concrete voorbeeldexamenvragen, gebruik de
aparte Word-gids (“Filosofie_Examengids.docx”) en de oefenkaarten-app.
DEEL 1 — INLEIDING: DE AARD VAN DE FILOSOFISCHE VRAAG
1.1 Aard van de vraagstelling
Uitgangspunt: wie is de mens? Het hele sociale veld is volgens de cursus “een
georganiseerde vorm van zorg voor de mens”. In elk sociaal, politiek, opvoedings- of
veiligheidsprobleem klinkt de vraag “wat is een mens in feite” steeds mee door. Daarom kan
een opleiding Maatschappelijke Veiligheid, Orthopedagogie, Sociaal Werk of Toegepaste
Psychologie niet zonder een inleiding tot de wijsgerige antropologie.
De vraag naar het gekende. Een wijsgerige vraagstelling is typisch een vraag naar iets wat
we in feite al kennen. Dat maakt haar op het eerste gezicht overbodig en te abstract — ze
lijkt “kinderlijk”: ze stelt zich zonder ophouden alsof ze de dingen voor het eerst ziet, en
roept van pure verbazing uit: wat is dit? Filosofie wil weten hoe de dingen “echt”,
“oorspronkelijk” zijn; ze wil op de plaats staan waar de dingen en de mens nog fris en zuiver
ontspruiten aan de bron die hen het leven schenkt.
Verschil met de wetenschappelijke vraagstelling. Ook wetenschappen vertrekken
vanuit die verwondering, maar in tegenstelling tot filosofie hakken zij snel de knoop door:
ze leggen de aanvankelijke verbazing vast in een axioma, een basisstelling. Filosofie
daarentegen blijft steken in de verwondering. Precies omdat die verbazing niet snel door een
antwoord wordt bevredigd, slaat ze algauw om in angst: het aanhouden van de vraag doet
elk houvast verliezen. Dit is — aldus de cursus — “een van de belangrijkste problemen van
de filosofie (zoniet hèt probleem van elk denken zonder meer, en niet het minst dat van de
moderniteit)”: de noodzakelijkheid én de onmogelijkheid van zo’n “oorspronkelijk”
standpunt tegenover de dingen.
,De dubbele vraag naar zichzelf. Filosofie stelt niet alleen de vanzelfsprekendheid van wat
wij weten in vraag, maar ook telkens zichzelf: hoe is het mogelijk dat zij die vraag
überhaupt kan stellen? Toegepast op de antropologische vraag: ik vraag me af wat “de
mens” is, én tegelijk vraag ik me af of ik zo’n vraag wel kan stellen, of het niet al te
vanzelfsprekend is dat ik het vanzelfsprekende in vraag zou kunnen stellen. De wijsgerige
antropologie is dus tegelijk een onderzoek naar het fundament van de mens én een
onderzoek naar de mogelijkheid van dat onderzoek zelf. Zoals de cursus het
formuleert: “de filosoof stelt, in de vraag naar de mens, altijd de vraag naar zichzelf: wie is
de mens dat hij de vraag naar de mens kan stellen?”
Filosofie is geen wetenschap naast andere. Omdat ze alles in vraag stelt (zichzelf
inbegrepen), heeft filosofie een “allesomvattende pretentie”: ze is niet een afgebakend
domein naast andere wetenschappen, maar eerder een andere manier van weten, een
voortdurende bevraging van elke vorm van weten. Bovendien zijn — aldus de cursus — al
onze wetenschappen sinds twee millennia “schatplichtig” aan de (oorspronkelijk Antiek-
Griekse) filosofie; ze spruiten er allemaal uit voort. Het onderscheidende kenmerk van
filosofie tegenover andere wetenschappen: filosofie vraagt naar het fundament (de grond,
de mogelijkheidsvoorwaarde, de waarheid) van alles, zichzelf inbegrepen, en blijft daarin
steken, terwijl een wetenschap haar fundament aanneemt en er vanuit verder bouwt.
1.2 Schrik voor de filosofie
Er bestaan twee wijdverspreide, tegengestelde opinies over filosofie: (1) ze is nutteloos
“navelstaren”, nietszeggend “zweven” in abstracte redeneringen; (2) ze is “verschrikkelijk
moeilijk”, alleen toegankelijk voor ingewijde intellectuelen. Beide opinies — de ene die
filosofie zeer laag, de andere die haar zeer hoog acht — komen bij nader toezien op
hetzelfde neer: filosofie ver van zich af houden, “ver beneden zich of ver boven zich, maar in
alle geval ver uit de buurt”. Door de moeilijke, “niet met beide voeten op de grond staande”
manier van denken op afstand te houden, kan men een deel van haar kritische vraagstelling
neutraliseren en beroven van een theoretische of institutionele basis. Achter de laagdunk
schuilt een schrik voor de kritische kracht van filosofie; achter de hooggestemde eerbied
schuilt vaak een poging om filosofie in een ivoren toren te isoleren en zo haar kritische
kracht lam te leggen.
De cursus geeft als voorbeeld (voetnoot) hoe totalitaire regimes zich tegenover hun
filosofische traditie verhouden: het marxisme kwam zelf voort uit filosofisch denken, maar
communistische regimes lieten weinig ruimte voor vrij kritisch denken. Zelfs in Frankrijk
moesten filosofen zich in de jaren ’70-’80 verenigen (de groep GREPH — Groupe de
Recherches sur l’Enseignement PHilosophique) tegen bezuinigingen op het
filosofieonderwijs, met publicaties als Qui a peur de la philosophie? (1977) en États
généraux de la philosophie (1979).
Conclusie: juist deze reële schrik bewijst dat de filosofische vraagstelling niet zo nutteloos
is als ze lijkt: ze vervult een noodzakelijke functie als open plaats voor kritiek en
reflectie. Vandaar dat elke maatschappij, ongeacht haar politieke signatuur, ergens een
plaats voorziet voor filosofie — bewust of onbewust erkennend dat wie het voor het zeggen
heeft, tot kritisch denken in staat moet zijn. De macht voorziet zelfs uitdrukkelijk zo’n plaats
, (bv. een vak wijsbegeerte in een opleiding), maar dan ook omdat zij zich daar filosofisch-
kritisch kan legitimeren en zich tegelijk wapenen tegen kritiek die haar zou bedreigen. Voor
een vrije, democratische samenleving komt het erop aan die kritische traditie zo weinig
mogelijk vooraf in te kapselen of te neutraliseren; ze moet zo scherp en “onideologisch”
mogelijk worden doorgegeven, want democratie maakt pas een kans waar de mogelijkheid
van vrije kritiek gewaarborgd blijft.
1.3 De plaats van de filosofische vraag: de “ton” van Diogenes
Diogenes van Sinope (ca. 404 – 323 v.Chr.), cynicus, bijgenaamd “de hond” (omdat hij als
een hond leefde). Zoon van een bankier (Hicesias) in Sinope; moest de stad verlaten na een
muntvervalsingsschandaal. Bezat vrijwel niets — een mantel, een kom, een nap — en leefde
in een ton (mogelijk een grote kruik). Uitspraak: “Wie vele zaken verlangt, zal altijd
ongelukkig zijn. Gelukkiger zijn zij die aan niets behoefte hebben.” Anekdote: hij zocht op
klaarlichte dag met een lantaarn op de markt naar “een mens” (d.i. een waarachtig oprecht
persoon). Bekende ontmoeting met Alexander de Grote, die hem alles wilde schenken en
vroeg wat hij wilde; Diogenes antwoordde: “Zon! Ga uit mijn zon!” En op Alexanders “Als ik
Alexander niet was, zou ik Diogenes willen zijn” antwoordde Diogenes: “Als ik Diogenes niet
was, zou ik ook Diogenes willen zijn.” (overgeleverd via Diogenes Laërtius, Leven en leer van
beroemde filosofen).
Betekenis van het beeld (“buiten binnen”): de filosofische vraagstelling is gekenmerkt
door het perspectief van een breekpunt, een tussenruimte, een bres die zij in de
gangbare manier van denken heeft geslagen. Ze opereert vanuit een hardnekkig “buiten” —
maar dat “buiten” bevindt zich in zekere zin binnenin de realiteit en blijft ermee verbonden
met “vezels van zijn denkkracht”. Het doel is niet buiten de realiteit te staan, maar er
scherper en dieper in door te dringen.
De ton als filosofisch model: Diogenes wordt door de cursus als “veelbetekenend”
prototype van “de filosoof” opgevoerd: hij bezat “van alles” afstand, leefde in een ton. De
filosoof vuurt zijn vragen af vanuit zo’n ton — “een holte die hij in de realiteit heeft
gemaakt, vanuit een buiten, binnen de wereld, van waaruit hij de wereld kritisch
waarneemt”. Die “buiten”-plaats moet vrijgehouden worden van al wie ze — vanuit welk
belang dan ook — wil opvullen en haar leegte definitief wil invullen (bv. de macht).
Geen hooghartigheid maar timiditeit: hoewel deze afstandelijke houding kan lijken op
hautaine superioriteit, komt ze eigenlijk voort uit een soort verlegenheid (timiditeit) die
eigen is aan de vraagstelling zelf. In haar verwondering laat de filosofie haar houding
tegenover de realiteit steeds weer bepalen door twijfel: is de realiteit wel dat wat ik ervoor
houd, is mijn houding wel de ware houding? Ze kruipt in haar “ton” om zich over de
waarheid te bezinnen — en voelt de nood daartoe des te scherper omdat ook haar eigen
verlangen naar waarheid wel eens niet met de waarheid zou kunnen stroken.
1.4 Filosofie en sociaal agogisch werk
Filosofie (en filosofische antropologie in het bijzonder) kan geen directe, concrete bijdrage
leveren aan het sociale beleidswerk — dit wijst niet op een onvermogen. De enige manier
waarop filosofie iets kan betekenen, ligt in de (denkende, kritische) afstandsname zelf.