POLITIEKE
INTEGRATIE
2025-2026
,DEEL 1: THEORETISCHE BENADERINGEN VAN EUROPESE INTEGRATIE
1. Theorieën als lens
- EGKS1 (1951): EU landen begonnen samen te werken rond kolen en staal
• 6 landen aanvaarden voor het eerst dat er iets boven hen staat (supranationaal) en er beslissingen
genomen kunnen worden rond kolen en staal
Landen staan hun soevereiniteit dus af
Waar gaat dat naar toe en welke dynamiek gaat spelen?
- Er ontstonden in deze context twee grote theoretische scholen → afhankelijk van het theoretische kader dat je
hanteert, zal je de zaken door een andere lens zien.
Bv. je kan de EU-eenmaking vanuit een sociaal-psychologisch kader verklaren, daarbij leg je dan de focus
bij de mensen → bepalend voor uitkomst.
1. Neofunctionalisme: het maakt niet uit wat de belangen zijn van lidstaten of wie er aan de macht is, maar
hoe zaken verder zullen evolueren en wat er aan de hand is moet je naar verdere dynamieken kijken waar
landen onderhevig aan zijn.
2. Intergouvernmentalisme: indien je vanuit dit kader vetrekt, hoef je niet naar degene aan de macht te kijken
maar focus je je eerder op de belangen van lidstaten → zo kan je voorspellen hoe dingen zullen verlopen.
- Theorieën kunnen elkaar aanvullen of net tegenspreken
2. Voorlopers van de 2 grote theorieën
- Een continent waar er veel strijd geleverd is → grenzen wijzigden constant agv conflicten
• Politieke denkers begonnen te denken hoe EU veilig kon zijn, zodat ze niet constant in conflicten sukkelen
• EGKS heeft het in gang gezet → landen begonnen geklonterd te geraken waardoor er geen onderlinge oorlog
mogelijk is
2.1. Federalisme
- Federalisten: nationale staten die zullen altijd oorlog met elkaar voeren want ze hebben hun eigen belangen en
zullen botsen
• Vermijden: Verenigde Staten van Europa (VSE) uitbouwen = landen die opgaan hierin en voor een stuk hun
eigenheid behouden maar belangrijke beslissingen worden wel boven hen genomen → “superstaat”.
>< andere academici: niet realistisch
1. Landen willen niet opgaan in iets hoger
2. Continent met veel verscheidenheid: culturen, talen, geschiedenissen, uiteenlopende
gevoeligheden...
3. Fundamentele probleem is niet opgelost → wereldwijde conflicten krijgen tussen supermachten
(bv. VSE met CH of VS) → risico op grotere oorlogen neemt alleen maar toe...
2.2. Functionalisten
- Uitgangspunt: aparte staten hebben de neiging om in conflict te komen met elkaar, maar je lost het niet op door
creatie van superstaat → nodig: functionele samenwerking.
• Kijken wat er beheert moet worden → lappendeken van organisaties om specifiek probleem/uitdaging
functioneel aan te pakken boven landen
Bv. spoorwegen: kan je niet land per land aanpakken → het is functioneler om de spoorwegen te
beheren door een Europese organisatie (efficiënter).
1 Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
1
, • Oprichting van EGKS = functioneel MAAR daar stopt het, het gaat enkel over de kolen en staal en je regelt
niet alles plots Europees → je dient andere samenwerkingsverbanden te creëeren voor andere zaken.
2.3. Transactionalisme of pluralisme
- Uitgangspunt: alle vorige ideeën = niet realistisch → landen blijven de bouwstenen van de politiek. Met
traditionele staten voelen mensen zich verbonden.
• Alle landen apart MAAR soms kan het beter zijn om toch samen te werken en afspraken te maken. Hoe dan
ook, houden de landen de touwtjes in handen.
Bv. oorlog vermijden, kunnen landen beter samenwerken met elkaar zonder dat er een gezag boven
wordt gezet.
• Verschilt van integratie: je versmelt de landen >< samenwerking tussen regeringen van landen (=
intergouvernmenteel), er komt geen supranationaal orgaan.
3. Neofunctionalisme
Neofunctionalisten bouwden voort op ideeën van functionalisten:
Essentie: je begint met iets klein, functioneel maar zet proces in gang waar je later geen controle meer over
hebt, omdat er een interne krachtige, functionele dynamiek daartoe is waardoor het automatisch gebeurt.
Voorbeeld EGKS: eenmaking van Europa begint in een heel functioneel, technisch domein waar de
deelnemende landen een economisch voordeel (kolen en staal) hebben maar zet iets in beweging dat
niet meer kan stoppen (soort sneeuwbal die groter wordt) en geen weg meer terug.
- Er zijn aantal sectoren waarbij het functioneel is om landen te gaan verenigen zoals kolen en staal
• Low politics: kwesties waar mensen niet hun identiteit aan ontlenen, nationale trots...
- Verschil functionalisme: vanaf je begint met zoiets, zet je onvermijdelijk een dynamiek in gang waardoor het
niveau altijd belangrijker wordt.
• Industriebeleid, transportbeleid begin je gezamenlijk te organiseren → van het een komt het ander
• Je plaatst dit bij de Hoge Autoriteit: die zal onvermijdelijk ook andere dingen beginnen organiseren → druk
naar andere sectoren die mee in het supranationaleweb terecht komen
– Je verschuift naar iets dat meer begint te doen dan ervoor
- Centrale concept: spill-over = automatisch proces waarbij het ene voorvloeit in het ander
• Bv. grenzen tussen landen weghalen voor vrij verkeer van goederen (‘een markt’) > vanaf dan begin je
productnormen af te spreken, want als landen dit op hun eigen manier doen heb je alsnog grenscontroles
nodig dat dan voldoet aan de normen van het land in kwestie.
Voorbeeld: migratie → vrij verkeer van personen en geen grenscontroles meer. Het is economisch rampzalig en
toont aan dat van het een het ander komt. Vanaf iemand asiel vraagt dan kan die van het ene land vrij naar het
ander land, vanaf je in een lidstaat erkend bent.
• Neofunctionalist zegt dat het geen zin heeft dat landen strengere normen hanteert voor de erkenning want
eens je binnen bent kan je vrij reizen → automatisch zal er dus een Europees asiel- en migratiebeleid zijn,
zegt het spill-over principe .
Klopt niet: elk land heeft eigen systeem.
4. Intergouvernmentalisme
Uitgangspunt: de basiseenheden blijven de lidstaten → zij beslissen finaal wat ze wel of niet samen doen. Als iets
gevoelig ligt zal dat niet gebeuren. Enkel gemeenchappelijke samenwerking indien het in hun belang speelt →
belangen van lidstaten staan voorop.
2
, - Europese samenwerking = proces TUSSEN REGERINGEN (‘intergouvermenteel’)
• Regeringen van lidstaten blijven de baas: indien een lidstaat iets niet wenst dan gebeurt het niet
Bv. dronewall: moeilijk om te organiseren → er zijn aantal lidstaten die dit niet willen, dan gebeurt dit
niet
- Geeft inzicht waarom sommige zaken moeizamer lopen
- Probleem: klopt niet volledig
• Het suggereert spill-back (volledige terugschroeving): je bent met iets bent begonnen en lidstaat zegt dit is
niet in ons belang →nog nooit gebeurd
• In Europa beslissingen genomen die tegen belangen van lidstaten ingaan
→ Bv. uitbreiding naar Oost en Centraal Europa → sommige lidstaten hebben er baat bij (afzetmarkt) maar
andere landen dan weer niet (ingewikkeldere samenwerking, opslorpen van subsidies...)
o >< vanuit intergouvernmentalisme: unanimiteit bij de lidstaten, gaat het in tegen de belangen
van lidstaten dan gaan we niet verder met deze beslissing
→ Twee theorieën helpen om bepaalde aspecten te kunnen vatten maar niet dat een van de twee ‘de waarheid’ is!!
→ Nieuwe theorieën hebben minder grootse ambities en wijzen op de zwakheden van de vorige.
3