2026-27
Rood= belangerijk, mogelijk examenonderwerp
HS01: Van het lichaam tot de cel Groen= examenvragen vorig jaar verwerkt achter elk
bijpassend deel
Context & Histologie
• Cellen verzamelen zich in weefsels, structuren, organen en orgaanstelsels om
een organisme als een geïntegreerd geheel te laten functioneren.
• Bijna elke ziekte start bij individuele cellen. Voorbeeld: kanker ontstaat doordat
één cel zich misdraagt, uit de weefselcontext breekt, begint te delen en nieuwe
cellen ontwikkelt.
Correctie: Kanker ontstaat wanneer één cel misdraagt, uit de weefselcontext brengt,
ongecontroleerd begint te delen en ontsnapt aan apoptose of immuuncontrole.
Cellulaire dimensies & Resolutie
• Meeste cellen zijn bijzonder klein en niet met het blote oog te onderscheiden (
kleiner dan ons oog kan resolveren).
• Resolutielimiet: het punt waarop twee nabije punten niet meer als afzonderlijk te
onderscheiden zijn.1
• De grootste menselijke cel is de vrouwelijke eicel (net op de grens van onze
resolutielimiet); spermacellen zijn ca. 7 𝜇m en onzichtbaar met het blote oog.
Microscopen vergroten deze structuren
De Celtheorie (1889)
1. Alle organismen zijn opgebouwd uit cellen. Kleinste leefbaar entiteit moet 1 cel
zijn er is niets kleiner dan dat.
2. De cel is de structurele basisbouwsteen van alle organismen.
3. Alle cellen vinden hun oorsprong in reeds bestaande cellen.
Fluorescente microscopen maken beelden van de ontwikkelingen van cellen (bv. de
deling van cellen kunnen observeren in de embryonale fase).
Cellulaire diversiteit
• Cellen zijn zeer divers in vorm en functie.
• Voorbeelden: huidmondjes, spiercel, fibroblast, E-coli bacterie (staafvormig),
gistcel (knopvorming), macrofaag (immuuncel), zenuwcel,
1
, spermacel/spermatozoa, spirocheet (spiraalvormige bacterie), rode bloedcel,
uitstulping van een blad, adipocyt (vetcel) en microvilli (darmepitheel).
Biochemische basis
• Alle cellen bestaan gemeenschappelijk uit water en een vaste set
macromoleculen: suikers, lipiden, nucleïnezuren en eiwitten (de ratio verschilt
per cel).
Evolutionaire stamboom (Pro- en Eukaryoten)
• Eukaryoten: organismen met een celkern, meestal meercellig (rode tak naar
boven in de stamboom).
• Prokaryoten: micro-organismen zonder kern. Opgesplitst in:
o Eubacteriën: de bacteriën die we dagelijks tegenkomen (linkerzijde).
o Archaea (archae-bacteriën): oeroude bacteriën die leven in extreme
gebieden (extremofielen, rechterzijde).
Verschil tussen Pro- en Eukaryoten
• Prokaryote cel: eenvoudige staafvorm met weinig interne structuren; het DNA
bevindt zich in een lichter gebied (het nucleoid).
• Eukaryote cel: (Eu karyon = de ware kern) heeft veel meer organisatie en interne
structuren die omgeven zijn door een membraan, genaamd organellen. De kern
is hiervan de grootste structuur.
De 6 kenmerken van de cel
2
, 1. Identiteit: afgesloten van de omgeving door een membraan, ze hebben dus een
identiteit.
2. Biochemie: dezelfde basisbouwstenen en macromoleculaire complexen.
3. Groei en metabolisme: opname (anabolisme), afbraak (katabolisme) en vorming
van complexe moleculen.
4. Reproductie: het verdelen van verdubbeld genetisch materiaal naar
dochtercellen.
5. Respons: reactie op een wijzigende omgeving, ze hebben sensoren om te
kunnen reageren.
6. Informatiestroom: DNA codeert voor de functionele instrumenten (de
proteïnen).
Plantencel vs. Dierlijke cel
• Plantencel: Heeft extra organellen zoals chloroplasten (voor energieproductie
en fixatie van 𝐶𝑂2 naar suikers) en een stevige celwand (bestaande uit cellulose
en lignine) ter bescherming. Een gezonde plant zuigt zich vol vocht om op turgor
(turgordruk) te komen, waardoor organellen tegen de celwand worden gedrukt.
Ook bevat een plantencel een grote vacuole.
• Dierlijke cel: Heeft enkel een plasmamembraan (een viskeuze, olieachtige zee
met eiwitten die signalen ontvangen en verankeren). Alle suikers bevinden zich
aan de buitenkant voor bescherming, herkenning en signalering.
De Celkern & Informatiestroom
• Omringd door een dubbel membraan en bevat niet-circulair DNA (chromosomen
(46)).
• Het DNA is extreem lang (1 chromosoom ≈ 4 cm) en sterk opgevouwen
(gecondenseerd en gespiraliseerd). Tijdens celdeling (mitose) ontstaat maximale
compactie (de bekende X-vorm) om gelijk te verdelen over twee dochtercellen.
• Consulteerbaar: Slechts een fractie van het DNA wordt afgeschreven (dat in het
genoom in de kern zit). Ribosomen (is een macromoleculair complex: bestaat uit
meerdere eiwitten, dus het is niet echt een organel) gebruiken mRNA als
template om in het cytoplasma eiwitten te synthetiseren (Centrale Dogma:
• DNA → RNA → Proteïne).
Eiwitsortering en Transport
• Post-translationeel transport: Eiwitten komen eerst in het cytoplasma terecht
en worden pas na translatie naar organellen (zoals kern, mitochondriën,
chloroplasten, peroxisomen) getransporteerd.
3
, • Co-translationeel transport: Eiwitten worden al tijdens de synthese in het
Endoplasmatisch Reticulum (ER) gebracht. Via het endomembraansysteem
(ER → Golgi-complex → vesikels) worden ze naar andere stations of de
buitenwereld gestuurd.
• Endocytose & Lysosomen: Materiaal dat van buiten de cel binnenkomt, wordt
vaak naar het zure lysosoom geleid voor afbraak door hydrolase-enzymen.
Vesticulair transport: transport is niet enkel om materiaal naar buiten te voeren, maar
ook om deze op te nemen, om te kunnen groeien en materiaal te hebben en zodat niet
gewenste materiaal geëlimineerd wordt.
• Autofagie: Het afbreken van cel-eigen materiaal of beschadigde organellen door
lysosomen (bijv. rode bloedcellen die al hun organellen vernietigen).
• Peroxisomen: Staan in voor specifieke detoxificatie- en vetafbraakprocessen.
➔ Extra informatie niet kennen
Energievoorziening: Mitochondriën en Chloroplasten
• Produceren ATP (adenosinetrifosfaat), de chemische energiebron.
• Respiratie (mitochondriën): Afbraak van glucose met zuurstof tot 𝐶𝑂2 , 𝐻2 𝑂 en
ATP. (O2 + Glucose -> CO2 + H2O + ATP)
• Fotosynthese (chloroplasten): Vorming van glucose en ATP uit licht, 𝐶𝑂2 en
𝐻2 𝑂. (CO2 + H2O + licht -> Glucose + O2 + ATP)
• Endosymbiontentheorie: Beide organellen hebben een dubbel membraan
(buitenste/binnenste membraan met cristae, of thylakoiden bij chloroplasten) en
een eigen circulair DNA. Dit wijst op een bacteriële oorsprong waarbij
oerbacteriën ooit zijn opgenomen door een grotere cel.
4