Zenuwstelsel
en zintuigen
Volledige samenvattingen
Hoofdstukken 1 tot en met 5
01 Zenuwweefsel
02 Centraal zenuwstelsel
03 Het gezichtsorgaan
04 Het gehoororgaan
05 Receptoren, reuk en smaak
Gebundeld uit de vijf samenvattingen in deze chat, met behoud van de inhoud, hoofdstuknummering, vergelijkingstabellen en
studeerchecklists.
Bron: BLOKWIJZER - Zenuwstelsel en zintuigen, editie 2024-2026, Sofia Learn. Samengesteld op 2 oktober 2026.
Studiebundel • Volledige samenvattingen uit de chat 1
,HISTOLOGIE / ZENUWSTELSEL EN ZINTUIGEN HOOFDSTUKKEN 1-5
Inhoudstafel
Klik op een titel of paginanummer om naar de juiste plek te gaan. Elk hoofdstuk bevat bovendien zijn eigen gedetailleerde
inhoudstafel. De bladwijzers in je PDF-lezer geven toegang tot alle tussenkoppen.
Hoofdstuk 1 - Zenuwweefsel (neuronen en neuroglia) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
1.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4
1.2 Samenstelling van het zenuwweefsel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .4
1.3 Axonregeneratie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
Hoofdstuk 2 - Histologie van het centraal zenuwstelsel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16
2.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
2.2 Cerebrum of grote hersenen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
2.3 Hippocampus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
2.4 Kleine hersenen of cerebellum . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
2.5 Ruggenmerg of medulla spinalis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
2.6 Hersenvliezen of meningen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
Hoofdstuk 3 - Het gezichtsorgaan . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29
3.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
3.2 Bulbus oculi (oogbol) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
3.3 Hulporganen van het oog . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
Hoofdstuk 4 - Het gehoororgaan . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43
4.1 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
4.2 Buitenoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
4.3 Middenoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45
4.4 Binnenoor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 46
Hoofdstuk 5 - Receptoren, reukorgaan en smaakorgaan . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
5.1 Exteroreceptoren (mechanoreceptoren, warmte-kouderegistratie, pijn en jeuk) . . . . . . . . . . . . . . . . . 54
5.2 Proprioreceptoren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
5.3 Reukorgaan . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59
5.4 Smaakorgaan . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60
Studiebundel • Volledige samenvattingen uit de chat 2
,HISTOLOGIE / ZENUWSTELSEL EN ZINTUIGEN HOOFDSTUKKEN 1-5
HOOFDSTUK
Hoofdstuk 1 - Zenuwweefsel (neuronen
en neuroglia)
Inhoudstafel
1.1 Inleiding
1.2 Samenstelling van het zenuwweefsel
• 1.2.1 Indeling
• 1.2.2 Neuronen of zenuwcellen
• 1.2.2.1 Het cellichaam (perikaryon of soma)
• 1.2.2.2 De dendriet
• 1.2.2.3 Het axon
• 1.2.3 Gliacellen of steuncellen
• 1.2.3.1 Steuncellen van het centraal zenuwstelsel
• 1.2.3.2 Steuncellen van het perifeer zenuwstelsel
• 1.2.4 Myelinisatie
• 1.2.4.1 Perifeer zenuwstelsel (PZS)
• 1.2.4.2 Centraal zenuwstelsel (CZS)
• 1.2.5 Bindweefselhulzen van het PZS: microscopische structuur van perifere zenuwen
• 1.2.6 Synapsen
1.3 Axonregeneratie
Studiebundel • Volledige samenvattingen uit de chat 3
,HISTOLOGIE / ZENUWSTELSEL EN ZINTUIGEN HOOFDSTUKKEN 1-5
1.1 Inleiding
Zenuwweefsel vormt een communicatiesysteem met drie hoofdfuncties:
1. Prikkels opnemen.
2. Prikkels omzetten in zenuwimpulsen.
3. Impulsen doorgeven aan andere neuronen of aan effectorcellen, zoals spier- en kliercellen.
De overdracht naar een volgende cel gebeurt ter hoogte van een synaps.
1.2 Samenstelling van het zenuwweefsel
1.2.1 Indeling
Zenuwweefsel bestaat uit drie componenten:
Component Betekenis en functie
Neuronen met hun uitlopers Functionele eenheden die informatie ontvangen, verwerken en doorgeven.
Gliacellen of steuncellen Ondersteunen, beschermen en onderhouden neuronen.
Beschermend bindweefsel Zorgt voor bescherming, ondersteuning en bloedvoorziening.
met bloedvaten
Neurieten is de verzamelnaam voor de uitlopers van neuronen: dendrieten en axonen.
Het beschermende bindweefsel verschilt volgens de plaats:
• CZS: hersenen en ruggenmerg worden omgeven door meningen of hersenvliezen.
• PZS: perifere zenuwen bevatten endoneurium, perineurium en epineurium.
1.2.2 Neuronen of zenuwcellen
De meeste neuronen hebben drie onderdelen:
Onderdeel Belangrijkste functie
Cellichaam - soma of Bevat de kern en het grootste deel van de eiwitsynthetiserende organellen.
perikaryon
Dendrieten Ontvangen signalen van andere neuronen.
Axon Geleidt impulsen naar andere neuronen, spiercellen of kliercellen.
Het algemene verloop van informatie is:
Dendrieten → cellichaam → axon → synaptische eindknopjes → volgende cel.
De vorm, grootte en het aantal uitlopers verschillen sterk. Purkinje-cellen en motorneuronen kunnen groot
zijn; korrelcellen van het cerebellum zijn klein.
Indeling volgens het aantal uitlopers
Studiebundel • Volledige samenvattingen uit de chat 4
,HISTOLOGIE / ZENUWSTELSEL EN ZINTUIGEN HOOFDSTUKKEN 1-5
Type neuron Bouw Voorbeelden
Multipolair Meerdere dendrieten en één axon. Meest voorkomende type in het CZS.
Bipolair Eén dendriet en één axon. Retina en reukepitheel.
Pseudounipolair Eén uitloper die dicht bij het soma Spinale ganglia en bepaalde craniale ganglia.
splitst in een perifere en een centrale
tak. Beide hebben axonkenmerken.
1.2.2.1 Het cellichaam (perikaryon of soma)
Het cellichaam is het metabole en eiwitsynthetiserende centrum van het neuron.
Kenmerken van de kern
• Groot en meestal rond.
• Fijn chromatinepatroon met veel euchromatine.
• Duidelijke, vaak wat excentrisch gelegen nucleool.
Deze kenmerken passen bij een cel die actief eiwitten aanmaakt.
Kenmerken van het cytoplasma
• Veel mitochondriën.
• Goed ontwikkeld Golgi-apparaat.
• Glad endoplasmatisch reticulum.
• Sterk ontwikkeld ruw endoplasmatisch reticulum (RER).
• Veel vrije ribosomen.
Het RER vormt lichtmicroscopisch zichtbare, basofiele aggregaten: Nisslse substantie of Nisslse
lichaampjes. Deze zijn bijzonder uitgesproken in motorneuronen.
De hoge eiwitsynthese is nodig voor onder andere membraaneiwitten, cytoskeleteiwitten en bepaalde
neurotransmitters.
Cytoskelet
• Microtubuli: ongeveer 25 nm dik.
• Neurofilamenten: ongeveer 10 nm dik.
• Samen kunnen ze na zilverkleuring als neurofibrillen zichtbaar worden.
Belangrijk onderscheid: het Golgi-apparaat bevindt zich in het soma; mitochondriën komen ook in de
uitlopers voor.
1.2.2.2 De dendriet
Dendrieten zijn meestal sterk vertakte uitlopers die dunner worden bij elke vertakking.
Door deze vertakking - arborisatie - kan één neuron signalen ontvangen van zeer veel andere neuronen.
Op dendrieten bevinden zich kleine uitstulpingen: gemmulae of dendritic spines. Hier kunnen axonuiteinden
synapsen vormen.
Dendritic spines zijn veranderlijk. Deze plasticiteit speelt een rol bij leren, geheugen en aanpassing van
neurale verbindingen.
Dendrieten bevatten onder andere:
Studiebundel • Volledige samenvattingen uit de chat 5
,HISTOLOGIE / ZENUWSTELSEL EN ZINTUIGEN HOOFDSTUKKEN 1-5
• RER.
• Microtubuli.
• Neurofilamenten.
1.2.2.3 Het axon
Het axon is een lange, cilindrische uitloper met een vrijwel constante diameter.
Het ontspringt uit het cellichaam ter hoogte van de axonheuvel of axon hillock.
Axon en axonheuvel bevatten geen RER en dus geen Nisslse substantie.
Het axon bevat wel mitochondriën, glad endoplasmatisch reticulum, microtubuli, neurofilamenten en
transportvesikels.
Aan het uiteinde vertakt het axon in telodendria. Hun uiteinden vormen verdikte presynaptische
eindknopjes of boutons terminaux, met vesikels die neurotransmitters bevatten.
Axonaal transport
Omdat het axon afhankelijk is van het soma, moeten stoffen langs het axon worden vervoerd. Microtubuli
dienen als rails; motoreiwitten verzorgen het transport.
Transport Richting Motoreiwit Betekenis
Anterograad Soma → axonuiteinde Kinesine Aanvoer van onder andere
vesikels en
macromoleculen.
Retrograad Axonuiteinde → soma Dyneïne Terugvoer van
opgenomen materiaal en
signalen. Ook bepaalde
virussen en toxines
kunnen deze route
benutten.
Naast snel transport bestaat traag axonaal transport, onder andere van cytoskeletcomponenten. Dit hangt
samen met de groei en regeneratie van axonen.
Vergelijking dendriet en axon
Kenmerk Dendriet Axon
Hoofdfunctie Signalen ontvangen Signalen doorgeven
Aantal per neuron Meestal meerdere Meestal één
Diameter Neemt af bij vertakkingen Vrijwel constant
Vertakking Vaak sterk vertakt nabij het soma Onder andere eindvertakkingen
Nisslse substantie Aanwezig Afwezig
Kenmerkende Dendritic spines Presynaptische eindknopjes
structuren
Studiebundel • Volledige samenvattingen uit de chat 6
,HISTOLOGIE / ZENUWSTELSEL EN ZINTUIGEN HOOFDSTUKKEN 1-5
1.2.3 Gliacellen of steuncellen
Gliacellen ondersteunen de overleving en werking van neuronen. Ze verzorgen onder andere myelinisatie,
bescherming, stofwisseling en afweer.
Plaats Gliacellen
CZS Oligodendrocyten, astrocyten, ependymcellen en microgliacellen.
PZS Schwann-cellen en satellietcellen.
De meeste gliacellen hebben een neuro-ectodermale oorsprong. Microglia vormen de uitzondering en
behoren tot de mesodermale immuuncellijn.
1.2.3.1 Steuncellen van het centraal zenuwstelsel
A. Oligodendrocyten
Oligodendrocyten vormen myeline rond axonen in het CZS.
Eén oligodendrocyt kan via verschillende uitlopers segmenten van meerdere axonen myeliniseren.
Histologische herkenning:
• Kleine cel.
• Ronde, donkere kern met veel heterochromatine.
• Dun laagje helder cytoplasma.
• Uitlopers en myeline zijn met routinekleuring niet duidelijk te onderscheiden.
Ze komen veel voor in de witte stof. De witte kleur hangt samen met de grote hoeveelheid lipiden in myeline.
B. Astrocyten
Astrocyten zijn stervormige cellen met veel uitlopers. Ze bevinden zich tussen neuronen en bloedvaten en
ondersteunen de omgeving waarin neuronen functioneren.
Type Vooral aanwezig in Uitlopers
Protoplasmatische Grijze stof Kort, breed en sterk vertakt.
astrocyten
Fibreuze astrocyten Witte stof Langer, fijner en minder talrijk.
Hun intermediaire filamenten bevatten GFAP - glial fibrillary acidic protein. Dit is een belangrijke merker
voor astrocyten en astrocytaire tumoren.
Hun uitlopers eindigen onder andere in eindvoetjes die contact maken met bloedvaten. Andere uitlopers
staan in contact met neuronen, synapsen, ependymcellen en de pia mater.
Studiebundel • Volledige samenvattingen uit de chat 7
,HISTOLOGIE / ZENUWSTELSEL EN ZINTUIGEN HOOFDSTUKKEN 1-5
Functies van astrocyten:
• Regelen van de ionenconcentratie rond neuronen.
• Ondersteunen van de uitwisseling van voedingsstoffen, afvalstoffen en metabolieten.
• Verwerken van neurotransmitters, waaronder glutamaat en GABA.
• Begeleiden van neuronale migratie tijdens de ontwikkeling via voorlopercellen, de radiale glia.
• Ondersteunen van de bloed-hersenbarrière.
• Beïnvloeden van de vorming, werking en plasticiteit van synapsen.
• Vormen van een oppervlakkige gliale begrenzing ter hoogte van de pia mater.
• Vormen van een gliaal litteken na beschadiging: gliosis.
Bij de bloed-hersenbarrière zijn de tight junctions tussen endotheelcellen essentieel. De basale membraan
en astrocytaire eindvoetjes ondersteunen deze barrière.
Neuropil is het netwerk van neuronale en gliale uitlopers tussen de cellichamen in de grijze stof.
C. Ependymcellen
Ependymcellen bekleden:
• De hersenventrikels.
• Het centrale kanaal van het ruggenmerg.
Het zijn kubische tot cilindrische cellen. Ze kunnen apicaal dragen:
• Cilia: helpen bij de verplaatsing van cerebrospinaal vocht.
• Microvilli: vergroten het oppervlak en kunnen bijdragen aan absorptie.
Gewone ependymcellen hebben geen onderliggende basale membraan. Hun basale uitlopers vermengen
zich met het naburige neuropil.
D. Choroid-plexuscellen
Dit zijn gespecialiseerde ependymcellen van de plexus choroideus, die betrokken is bij de productie van
cerebrospinaal vocht (CSV).
De plexus bestaat uit vlokken die in de ventrikels uitsteken. Elke vlok bevat een vaatrijke kern vanuit de pia
mater, bekleed met gespecialiseerde kubische cellen met microvilli.
Onderscheid:
• Plexus choroideus: productie van CSV.
• Arachnoïdale villi of granulationes: afvoer van CSV naar het veneuze bloed, vooral ter hoogte van de
sinus sagittalis superior.
E. Microgliacellen
Microgliacellen verzorgen de immuunbewaking en opruiming in het CZS.
Kenmerken en functies:
• Kleine cellen met korte, onregelmatige uitlopers.
• Veel lysosomen.
• Fagocytose van vreemd materiaal en celresten.
• Productie van immunoregulerende cytokines.
• Antigeenpresentatie.
• Kunnen zich door het zenuwweefsel verplaatsen.
Bij weefselschade of infectie worden ze geactiveerd. Ze kunnen hun uitlopers verliezen en zich delen.
Studiebundel • Volledige samenvattingen uit de chat 8
,HISTOLOGIE / ZENUWSTELSEL EN ZINTUIGEN HOOFDSTUKKEN 1-5
1.2.3.2 Steuncellen van het perifeer zenuwstelsel
A. Schwann-cellen
Schwann-cellen omgeven axonen in het PZS. Ze ondersteunen zowel gemyeliniseerde als
ongemyeliniseerde axonen.
Een axon met zijn omgevende Schwann-cellen vormt een zenuwvezel.
Daarnaast zijn Schwann-cellen belangrijk voor regeneratie na beschadiging.
B. Satellietcellen
Satellietcellen, ook kapselcellen, liggen rond de cellichamen van neuronen in ganglia.
Rond de satellietcellen bevindt zich een basale membraan. Waar het axon vertrekt, gaat de satellietcelhuls
over in de huls van Schwann-cellen.
Ganglia of zenuwknopen zijn verzamelingen van neuronale cellichamen buiten het CZS. Men onderscheidt
spinale, craniale en autonome ganglia.
Ze bevatten doorgaans:
• Neuronale cellichamen met satellietcellen.
• Zenuwvezels.
• Losmazig bindweefsel en capillairen.
• Een omgevend bindweefselkapsel.
Onthouden: Schwann-cellen omgeven axonen; satellietcellen omgeven cellichamen.
1.2.4 Myelinisatie
Myeline is een meerlagige, lipidenrijke omhulling rond axonen. Ze werkt als elektrische isolatie en verhoogt
de snelheid van impulsgeleiding.
De vorming verschilt tussen het PZS en het CZS.
1.2.4.1 Perifeer zenuwstelsel (PZS)
Gemyeliniseerde zenuwvezels
Een gemyeliniseerde perifere vezel bevat van binnen naar buiten:
Axon → myelineschede → Schwann-celcytoplasma met kern → basale membraan.
Eén Schwann-cel vormt de myeline van één segment van één axon. Langs een lang axon liggen dus veel
Schwann-cellen achter elkaar.
Tussen opeenvolgende myelinesegmenten liggen knopen van Ranvier. De afstand tussen twee knopen heet
een internodium; de cursus vermeldt hiervoor ongeveer 300-500 µm.
Bij de knopen is de myelineschede onderbroken. Het axon kan daar ionen uitwisselen met zijn omgeving.
Uitlopers van aangrenzende Schwann-cellen grijpen er in elkaar; de omgevende basale membraan blijft
doorlopen.
De impuls wordt van knoop tot knoop voortgeleid: saltatorische geleiding.
Studiebundel • Volledige samenvattingen uit de chat 9
,HISTOLOGIE / ZENUWSTELSEL EN ZINTUIGEN HOOFDSTUKKEN 1-5
Vorming van myeline
1. Een Schwann-cel neemt een axon op in een instulping.
2. De celmembraan wikkelt zich herhaaldelijk rond het axon.
3. Het cytoplasma tussen de lagen wordt grotendeels weggedrukt.
4. De membranen komen dicht tegen elkaar te liggen: compactie.
Hierdoor ontstaan twee soorten lijnen:
Lijn Ontstaat door het samenkomen van
Periodische lijn - major De cytoplasmatische zijden van de membranen.
dense line
Intraperiodische lijn De extracellulaire zijden van de membranen.
Ter hoogte van de knopen blijft in de Schwann-celuitlopers cytoplasma aanwezig; daar is de compactie
onvolledig.
Ongemyeliniseerde zenuwvezels
Eén Schwann-cel kan meerdere dunne axonen omvatten, zonder een compacte, meerlagige myelineschede
te vormen.
• De axonen blijven omgeven door Schwann-celcytoplasma.
• Er zijn geen knopen van Ranvier.
• De geleiding is niet saltatorisch en verloopt trager.
Ongemyeliniseerd betekent in het PZS dus niet dat een axon zonder gliale omhulling ligt.
1.2.4.2 Centraal zenuwstelsel (CZS)
In het CZS wordt myeline gevormd door oligodendrocyten.
Eén oligodendrocyt kan met meerdere uitlopers verschillende axonen myeliniseren. Het cellichaam ligt op
afstand van de myelinesegmenten en heeft geen basale membraan.
Ook in het CZS komen knopen van Ranvier voor.
Ongemyeliniseerde axonen kunnen in het CZS zonder individuele gliale omhulling in het neuropil liggen.
Studiebundel • Volledige samenvattingen uit de chat 10