Geschiedenis – sem 1
Lange 19e eeuw Korte 20e eeuw (interbellum):
Tijd: ±1750–WO I Tijd: 1918-1990
Industrialisatie Roaring twenties
Liberalisme Massacultuur (radio, film, reclame)
Nationalisme
Massaproductie & massaconsumptie
(opstanden, eenmakingen)
Algemeen enkelvoudig stemrecht
Individualisme
(jaren ’20)
Vooruitgangsoptimisme (door
Massademocratie
wetenschap en industrie)
Modern imperialisme / kolonisatie Dekolonisatie
Congo als kolonie (Leopold II) Agressieve expansiepolitiek
Arbeidersbeweging (Marx & Engels)-
Grote Depressie (1929)
socialisme
Rerum Novarum Crisis van de democratie (jaren ’30)
Rusland / tsarenrijk Fascisme (Mussolini, Hitler)
Communisme (SU 1917, Stalinisme):
hier pas toegepast
Sovjetunie (na 1917) ontstaan na de
Oktoberrevolutie van 1917
1
,De lange 19e eeuw en het interbellum (Moderne Tijd)
Lange 19e eeuw (±1750–WO I): eeuw van het individu (liberalisme)
1. Cultureel
Verlichting
Individualisme
Kritisch denken
Filosofen vb. Rousseau, Locke
Optimisme: wetenschap en techniek zullen de wereld beter maken
ideeën van de verlichting vormen de basis voor het politiek liberalisme
2. Politiek
Politiek liberalisme (reactie op Ancien Régime):
Kenmerken:
Volkssoevereiniteit: macht komt van het volk
Constitutionalisme (grondwet)
Scheiding der machten
- Wetgevend: parlement/volksvertegenwoordiging
- Uitvoerend: regering
- Rechterlijk: rechtbanken
Rechtsgelijkheid en rechtszekerheid: rechten gerespecteerd
Doel: bescherming van individuele vrijheid en beperking van staatsmacht
Eerste keer in Europa proberen toe te passen: Franse Revolutie (1789-1799)
Frankrijk: model voor alle liberale hervormingen in Europa in de 19e eeuw
- Na Franse Revolutie: Napoleon: verlicht despoot = alles voor het volk, MAAR niet door
het volk. Hij moderniseert Frankrijk voor het volk, maar beslist alles zelf (geen
democratie)
- 1815: val van Napoleon: Congres van Wenen komt samen
2
,Hertekening van de kaart herstel van het Ancien Régime
Gevolgen: ontevredenheid van het volk
- nationalisme: elk volk zijn eigen land, bv. Duitsland (Duitse eenmaking)
- liberalisme: mensen willen een grondwet, parlementaire inspraak
- 3 revoluties: 1820 – 1830 Belgische revolutie – 1848
Resultaat van de revoluties: ontstaan van
- constitutionele parlementaire monarchieën (België: koning)
- republieken (geen koning)
- Opkomst van nieuwe ideologieën:
Socialisme opkomen voor rechten van arbeiders
Communisme (Marx & Engels)
Christendemocratie reactie vanuit de Kerk (Rerum Novarum)
3. Economisch
Industriële revolutie:
Link met verlichting: door kritisch denken, meer wetenschappelijk onderzoek
technologische vooruitgang economische groei
ontstaan arbeidersklasse, sociale ongelijkheid
1750: eerste IR
1870: tweede IR
Kenmerken:
3
, Produceren met machines ipv met de hand
Nieuwe energiebronnen: steenkool, stoom (eerste IR), elektriciteit, olie (tweede IR)
Fabrieken en arbeidersklasse
Economisch liberalisme: economische vrijheid met weinig overheidsinmenging
(Adam Smith)
Gevolgen:
Klassensamenleving: bourgeoisie en proletariaat: sociale ongelijkheid
Politiek: ontstaan van socialisme en communisme als reactie op de ongelijkheid
Explosie van spanningen WO I
Het Interbellum (1918–1939) – 20e eeuw : eeuw van de massa
Overgangsperiode tussen WO I en WO II
Polarisatie tussen links en rechts
Volk voorop, niet individu
o Economisch: massaproductie en massaconsumptie
o Cultureel: ontstaan van massacultuur (film, radio, reclame)
o Politiek: massademocratie: iedereen kreeg stemrecht, maar ook
manipulatie van de massa in totalitaire regimes
Gevolgen van WOI
Europa verzwakt: economische, culturele en politieke kater
Economisch puin, inflatie (alles wordt duurder, geld minder waard)
Politieke instabiliteit
Cultureel pessimisme: twijfel aan de vooruitgang (moderne wapens oorlog)
cultuurpessimisme vandaag: oppervlakkigheid door sociale media
Verdrag van Versailles (herstelbetalingen Duitsland) Duits revanchisme,
opkomst van Hitler
4
Lange 19e eeuw Korte 20e eeuw (interbellum):
Tijd: ±1750–WO I Tijd: 1918-1990
Industrialisatie Roaring twenties
Liberalisme Massacultuur (radio, film, reclame)
Nationalisme
Massaproductie & massaconsumptie
(opstanden, eenmakingen)
Algemeen enkelvoudig stemrecht
Individualisme
(jaren ’20)
Vooruitgangsoptimisme (door
Massademocratie
wetenschap en industrie)
Modern imperialisme / kolonisatie Dekolonisatie
Congo als kolonie (Leopold II) Agressieve expansiepolitiek
Arbeidersbeweging (Marx & Engels)-
Grote Depressie (1929)
socialisme
Rerum Novarum Crisis van de democratie (jaren ’30)
Rusland / tsarenrijk Fascisme (Mussolini, Hitler)
Communisme (SU 1917, Stalinisme):
hier pas toegepast
Sovjetunie (na 1917) ontstaan na de
Oktoberrevolutie van 1917
1
,De lange 19e eeuw en het interbellum (Moderne Tijd)
Lange 19e eeuw (±1750–WO I): eeuw van het individu (liberalisme)
1. Cultureel
Verlichting
Individualisme
Kritisch denken
Filosofen vb. Rousseau, Locke
Optimisme: wetenschap en techniek zullen de wereld beter maken
ideeën van de verlichting vormen de basis voor het politiek liberalisme
2. Politiek
Politiek liberalisme (reactie op Ancien Régime):
Kenmerken:
Volkssoevereiniteit: macht komt van het volk
Constitutionalisme (grondwet)
Scheiding der machten
- Wetgevend: parlement/volksvertegenwoordiging
- Uitvoerend: regering
- Rechterlijk: rechtbanken
Rechtsgelijkheid en rechtszekerheid: rechten gerespecteerd
Doel: bescherming van individuele vrijheid en beperking van staatsmacht
Eerste keer in Europa proberen toe te passen: Franse Revolutie (1789-1799)
Frankrijk: model voor alle liberale hervormingen in Europa in de 19e eeuw
- Na Franse Revolutie: Napoleon: verlicht despoot = alles voor het volk, MAAR niet door
het volk. Hij moderniseert Frankrijk voor het volk, maar beslist alles zelf (geen
democratie)
- 1815: val van Napoleon: Congres van Wenen komt samen
2
,Hertekening van de kaart herstel van het Ancien Régime
Gevolgen: ontevredenheid van het volk
- nationalisme: elk volk zijn eigen land, bv. Duitsland (Duitse eenmaking)
- liberalisme: mensen willen een grondwet, parlementaire inspraak
- 3 revoluties: 1820 – 1830 Belgische revolutie – 1848
Resultaat van de revoluties: ontstaan van
- constitutionele parlementaire monarchieën (België: koning)
- republieken (geen koning)
- Opkomst van nieuwe ideologieën:
Socialisme opkomen voor rechten van arbeiders
Communisme (Marx & Engels)
Christendemocratie reactie vanuit de Kerk (Rerum Novarum)
3. Economisch
Industriële revolutie:
Link met verlichting: door kritisch denken, meer wetenschappelijk onderzoek
technologische vooruitgang economische groei
ontstaan arbeidersklasse, sociale ongelijkheid
1750: eerste IR
1870: tweede IR
Kenmerken:
3
, Produceren met machines ipv met de hand
Nieuwe energiebronnen: steenkool, stoom (eerste IR), elektriciteit, olie (tweede IR)
Fabrieken en arbeidersklasse
Economisch liberalisme: economische vrijheid met weinig overheidsinmenging
(Adam Smith)
Gevolgen:
Klassensamenleving: bourgeoisie en proletariaat: sociale ongelijkheid
Politiek: ontstaan van socialisme en communisme als reactie op de ongelijkheid
Explosie van spanningen WO I
Het Interbellum (1918–1939) – 20e eeuw : eeuw van de massa
Overgangsperiode tussen WO I en WO II
Polarisatie tussen links en rechts
Volk voorop, niet individu
o Economisch: massaproductie en massaconsumptie
o Cultureel: ontstaan van massacultuur (film, radio, reclame)
o Politiek: massademocratie: iedereen kreeg stemrecht, maar ook
manipulatie van de massa in totalitaire regimes
Gevolgen van WOI
Europa verzwakt: economische, culturele en politieke kater
Economisch puin, inflatie (alles wordt duurder, geld minder waard)
Politieke instabiliteit
Cultureel pessimisme: twijfel aan de vooruitgang (moderne wapens oorlog)
cultuurpessimisme vandaag: oppervlakkigheid door sociale media
Verdrag van Versailles (herstelbetalingen Duitsland) Duits revanchisme,
opkomst van Hitler
4