HET BELEID VAN DE EUROPESE UNIE –
AJ ’25 - ‘26
Wat houdt het domein in?
Hoe is het historisch gegroeid?
Wat zijn de breuklijnen binnen het domein?
Hoe zal de toekomst er uitzien?
1 DOMEINEN
- Interne markt
o Een ‘super’markt zonder grenzen, met vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en
diensten
o Blijft een work in progress
▪ Op bepaalde vlakken zijn er nog barrières (bv. Europese kapitaalmarkt,
televisiezender VTM niet beschikbaar in bepaalde landen…)
- Landbouw
o Een van de oudste beleidsdomeinen, kwam ter sprake direct bij de eenmaking
o Controversieel, 1/3de van het Europese budget gaat naar dit domein
▪ Veel uitdagingen (klimaatvriendelijkheid) en ongenoegen
- Milieu
o Kwam later op de agenda
o Veel regels en wetgeving wordt rond dit domein gemaakt
▪ 2de grootste naast interne markt
o Klimaatbeleid is hieraan gelinkt
- Sociale politiek
o Sommige zaken (bv. Armoedebestrijding) komen weinig aan bod, andere zaken worden
gedetailleerd uitgewerkt
- Extern beleid
o Bestaat uit verschillende aspecten
▪ Handel
▪ Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp
▪ Uitbreiding
• Meest succesvolle vorm volgens sommigen: landen willen toetreden, en
doordat de unie bepaalde voorwaarden stelt, kunnen ze die landen hun
eigen regels, normen en waarden laten adapteren
▪ ‘klassieke’ buitenlands beleid
• Op papier: GBVB, maar in de praktijk is dat er niet echt. Individuele staten
nemen soms actie, maar bijna nooit als gehele Europese Unie (bv.
Omtrent Gaza)
• Evolutie in dit domein: omtrent Rusland en Oekraïne lukte het wel al, dit
was de eerste keer.
▪ Defensie?
o Volgens sommigen zijn de motieven achter het buitenlands beleid enkel handel, anderen
zeggen eerder bepaalde idealen verwezenlijken (‘Groot-Scandinavië) maar er zijn geen
1
, instrumenten die dit kunnen afdwingen, een supermacht willen worden en kunnen
concurreren met de VS, een ‘groot-Zwitserland’ zijn waarbij de EU werkt als instantie die
vooral focust op zichzelf of ten slotte een civiele macht te zijn door democratie en rust te
promoten. De EU heeft veel belang bij rust en stabiliteit in de wereld (meer handel, minder
migratie…). Bij deze visie zijn er wel middelen om de zaken te verwezenlijken
- Cultuurbeleid
Theorieën kunnen bepaalde evoluties helpen begrijpen.
- Neofunctionalisme: de Europese eenmaking begint met samenwerking op een functioneel
domein (kolen en staal) omdat de landen daar belang bij hadden. Dit zette een dynamiek in gang:
domeinen plakken vast aan elkaar, automatisch zal je andere zaken gezamenlijk moeten
organiseren (= spillover), deze dynamiek is eigen aan het systeem zelf.
- Intergouvernementalisme: volgens deze theorie klopt de dynamiek van spillover niet, dit zien we
bijvoorbeeld in het domein migratie. Er is vrij verkeer van personen en goederen, de volgende stap
zou dan een gezamenlijk migratiebeleid moeten zijn volgens neofunctionalisten. In de realiteit is
dit er nog lang niet; landen willen die controle niet loslaten. Als gezamenlijke samenwerking in het
belang is van de landen zelf, dan zal dat pas gebeuren. De belangen van de lidstaten primeren.
o In de werkelijkheid is dit er ook niet strikt zo, er zijn domeinen waarrond er wel
gedetailleerde regels en samenwerking is. Daarnaast zien we dat het Europees Parlement
veel macht heeft omtrent wetgeving en vaak het laatste woord heeft, zij
vertegenwoordigen de burgers ipv. lidstaten. De belangen van lidstaten kunnen dus aan
de kant geschoven worden op sommige momenten.
o Een variant hierop: liberaal intergouvernementalisme
▪ Er is meer flexibiliteit: de belangen van lidstaten kunnen evolueren doorheen de
tijd. Een andere samenstelling van regering en parlement kan ervoor zorgen dat
dingen soms wel als een belang gezien worden en andere keren niet. Sommige
thema’s zijn belangrijker voor landen dan anderen. Op minder belangrijke
thema’s kunnen ze meer toegevingen doet als ze daardoor op het belangrijke
thema standvaster kunnen zijn of zich veilig kunnen stellen.
▪ Belangen van kleine landen spelen minder dan die van grotere landen
Deze theorieën zijn te algemeen om zaken in specifieke beleidsdomeinen te kunnen verklaren. De volgende
theorieën/kaders kunnen daar wel bij helpen:
1.1 HET PRINCIPAL-AGENT MODEL
De politiek-wetenschappelijke literatuur heeft het over het principal-agent perspectief: de principal is
degene die een deel van zijn bevoegdheden afstaat aan een agent, die in opdracht van de principal een
aantal taken moet vervullen. In de realiteit merkt men dat een agent al wel eens de neiging krijgt om zich
onafhankelijker te gedragen, bijvoorbeeld omdat hij op een bepaald moment over meer informatie beschikt
dan de principal. De agent kan er dus een eigen agenda op nahouden en zijn macht trachten te versterken,
waarbij de belangen van de principal naar het achterplan verdwijnen.
Om dit te vermijden kunnen heel duidelijke afspraken vooraf worden gemaakt of kan de principal
controlemechanismen creëren. Er kunnen bijvoorbeeld strikte procedures worden vastgesteld die de
bevoegdheden van de agent glashelder aflijnen. Dit gaat dan wel ten koste van de flexibiliteit en de
onafhankelijkheid van de agent, die op die manier misschien minder efficiënt wordt in het realiseren van
het doel waarvoor hij oorspronkelijk door de principal in het leven was geroepen. De principal kan ook
proberen om de agent bij de uitvoering van zijn taken op de vingers te kijken. Hij kan dit zelf doen of hij kan
deze controleopdracht aan een derde partij geven, een andere agent als het ware. De principal kan ook een
2
,vinger in de pap houden bij benoeming of ontslag van de agent. Of de principal kan ervoor zorgen dat hij
uiteindelijk het budget vastlegt waarmee de agent moet werken. Er zijn dus talrijke manieren om enige vorm
van controle te behouden, maar er hangt altijd een kostenplaatje aan vast.
In het geval van de Europese Unie wordt het allemaal nog wat complexer omdat er verschillende principals
(lidstaten) zijn, met uiteenlopende belangen, die diverse agents (supranationale instellingen) in het leven
riepen. Wie vanuit dit perspectief de besluitvorming probeert te ontleden, zal meteen zien dat de
verhoudingen zeer complex liggen. Geen van de verschillende instellingen beschikt over carte blanche in
de besluitvorming. De lidstaten trachten via diverse technieken hun belangen veilig te stellen, maar
behouden niet de volledige controle over alle facetten van de besluitvorming. Besluitvorming is niet enkel
een strijd tussen regeringen (intergouvernementeel), maar ook tussen instellingen (interinstitutioneel). Dit
model trapt dus niet in de val om a priori uit te gaan van de dominante rol van hetzij de supranationale
instellingen, hetzij de lidstaten. Wie dit model hanteert om de institutionele verhoudingen te bestuderen,
zal dus meer nuances en subtiliteiten zien dan intergouvernementalisten of neofunctionalisten.
Het principal-agent perspectief is niet meteen een grote theorie die alle ontwikkelingen in de Europese
politiek kan verklaren. Wel wordt er een interessante invalshoek naar voor geschoven: de instellingen, de
manier waarop ze werken, hun onderlinge verhoudingen en de manier waarop ze soms met elkaar
concurreren, zijn erg belangrijk.
2 NIEUW-INSTITUTIONALISTISCHE THEORIEËN
- Zij zijn gebaseerd op de principal-agent benadering
- Hechten belang aan instellingen (institutions matter)
o Aan de hand van hoe een instelling werkt, zal de uitkomst anders zijn
▪ Bijvoorbeeld beslissen met QMV of unanimiteit zorgt voor een ander resultaat in
wat de instelling zal doen in een bepaalde situatie. Unanimiteit zal vaker zorgen
voor minder krachtige beslissingen.
o De cultuur van een instelling kan ook bepalend zijn
▪ Bijvoorbeeld: de voorbereidingen van dossiers in de EC worden verdeeld onder
delegaties, en afhankelijk van welke delegatie aangeduid wordt voor een
voorbereiding in te dienen, zal er een ander accent op gelegd worden.
(bijvoorbeeld: delegaties industrie vs. Klimaat)
- Dus kijken naar de processen/procedures, belangen en cultuur/sfeer binnen de organisatie om te
begrijpen waarom die iets wel/niet doet.
- Er zijn verschillende soorten N-I, hier worden er 3 besproken. Ze kunnen helpen om dynamieken te
begrijpen en zaken te voorspellen. Ze kunnen elkaar tegenspreken, maar ook aanvullen.
o Bijvoorbeeld: uitbreiding naar Centraal- en Oost-Europa (2004)
▪ De EU breidde toen uit met 10 landen. Vanuit het RC N-I is dit moeilijk begrijpbaar.
Sommige landen hadden wel belang bij de uitbreiding, Duitsland bijvoorbeeld
(geografisch dichtbij en nieuwe afzetmarkten -> economisch belang). Andere
landen niet, bijvoorbeeld Spanje en Portugal (verre ligging, weinig export,
subsidies voor achtergestelde regio’s worden meer gegeven aan nieuwe landen).
De landen die er wel belang bij hadden, waren erin geslaagd om het dominante
debat te zetten. Vanuit hier volgt het S N-I als verklaring voor de uitbreiding; het
dominante discours was het volgende. “Wij landen van de EU hebben de landen
niet geholpen toen ze onder communistische invloed waren, nu is onze kans om
dat wel te doen.” Er werd dus een sfeer gecreëerd en het discours werd verspreid,
dus die landen vroegen dan ook toelating tot de EU. Nu was er als EU ook geen
weg meer terug. Dan kan je het H N-I gebruiken als verklaring; op het moment dat
3
, de EU zaken begon te beloven en aan te kondigen, begonnen de landen zich
anders te organiseren en sterk te groeien. Binnen de EU was er na verloop van tijd
geen enthousiasme meer, men zag in dat de uitbreiding ook een kost met zich zou
meebrengen. Deze landen zullen subsidies nodig hebben, ze maken
beslissingsvoering moeilijker… maar de belofte van het lidmaatschap kon niet
zomaar verbroken worden. Het zou leiden tot instabiliteit binnen die landen. Een
keuze werd dus gemaakt en de EU kan er niet op terugkomen zonder er een grote
prijs voor te betalen.
2.1 RATIONAL-CHOICE NIEUW-INSTITUTIONALISME
- Ligt het dichtst bij het liberaal intergouvernementalisme
- De basis: de belangen van de lidstaten
o Ieder land in de EU probeert haar eigen belangen te realiseren
o Als er iets wijzigt aan de institutionele context, dan zullen de spelers hun strategie
aanpassen, maar ze blijven handelen in functie van het eigenbelang.
o Gaandeweg werden instellingen met hun eigen regels uitgebouwd, hierdoor gaan landen
hun strategie aanpassen hieraan. Dit zal dan ook mee de uitkomst bepalen
▪ Dus: belangen van lidstaten + procedures => kunnen uitkomst voorspellen
▪ De instellingen werden doelbewust gecreëerd om de belangen van de
afzonderlijke lidstaten veilig te stellen. Ze vinden het begrijpelijk dat de
instellingen zullen proberen om hun eigen weg te gaan en aparte belangen na te
streven, maar als het om belangrijke dossiers gaat, zullen de lidstaten dat niet
toelaten. Er zijn immers mechanismen voorzien om hen uiteindelijk weer in de pas
te doen lopen.
▪ Bijvoorbeeld: als een beslissing genomen wordt met unanimiteit, zal de uitkomst
anders zijn dan wanneer QMV gebruikt wordt. Landen passen hun strategie aan
a.d.h.v. de procedures
▪ Bijvoorbeeld: tijdens stemming met QMV kan een land meer toegevingen doen,
omdat die anders weggestemd zal worden. Er kan een meerderheid gevormd
worden, en het land kan geen inspraak gehad hebben op wat er zal gebeuren.
Daarom kan men dus het standpunt en hun strategie aanpassen. Bij unanimiteit
zal een land dit niet doen, omdat ze weten dat zonder hun stem er niks kan
gebeuren. Een liberaal-intergouvernementalist zou zeggen dat in beide gevallen
het land op hun strepen zal blijven staan en niet zal veranderen omwille van hun
belangen.
2.2 SOCIOLOGISCH NIEUW -INSTITUTIONALISME
- Belangen van lidstaten zijn niet echt relevant
- De uitkomst van beleid wordt bepaald door het algemene klimaat (de dominante ideeën, hetgeen
dat als evident wordt aangenomen…)
o Er is een dominante sfeer/klimaat, en daarin worden beslissingen genomen
- Kijk naar de dominante ideeën/sfeer op het moment, en dit zal de uitkomst bepalen
o Als je beleid wilt veranderen, dan moet je de dominante ideeën en het klimaat veranderen
▪ Speeches en toespraken kunnen effect daarop hebben (bijvoorbeeld: het
standpunt van de EU-lidstaten tov. Palestina verandert gaandeweg)
▪ Je moet het debat kunnen veranderen/zetten!
▪ Cf. constructivisme
- Wanneer je beslissingen niet kan verklaren a.d.h.v. belangen van de lidstaten, kan je het wel
hierdoor verklaren volgens de theorie
4
AJ ’25 - ‘26
Wat houdt het domein in?
Hoe is het historisch gegroeid?
Wat zijn de breuklijnen binnen het domein?
Hoe zal de toekomst er uitzien?
1 DOMEINEN
- Interne markt
o Een ‘super’markt zonder grenzen, met vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en
diensten
o Blijft een work in progress
▪ Op bepaalde vlakken zijn er nog barrières (bv. Europese kapitaalmarkt,
televisiezender VTM niet beschikbaar in bepaalde landen…)
- Landbouw
o Een van de oudste beleidsdomeinen, kwam ter sprake direct bij de eenmaking
o Controversieel, 1/3de van het Europese budget gaat naar dit domein
▪ Veel uitdagingen (klimaatvriendelijkheid) en ongenoegen
- Milieu
o Kwam later op de agenda
o Veel regels en wetgeving wordt rond dit domein gemaakt
▪ 2de grootste naast interne markt
o Klimaatbeleid is hieraan gelinkt
- Sociale politiek
o Sommige zaken (bv. Armoedebestrijding) komen weinig aan bod, andere zaken worden
gedetailleerd uitgewerkt
- Extern beleid
o Bestaat uit verschillende aspecten
▪ Handel
▪ Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp
▪ Uitbreiding
• Meest succesvolle vorm volgens sommigen: landen willen toetreden, en
doordat de unie bepaalde voorwaarden stelt, kunnen ze die landen hun
eigen regels, normen en waarden laten adapteren
▪ ‘klassieke’ buitenlands beleid
• Op papier: GBVB, maar in de praktijk is dat er niet echt. Individuele staten
nemen soms actie, maar bijna nooit als gehele Europese Unie (bv.
Omtrent Gaza)
• Evolutie in dit domein: omtrent Rusland en Oekraïne lukte het wel al, dit
was de eerste keer.
▪ Defensie?
o Volgens sommigen zijn de motieven achter het buitenlands beleid enkel handel, anderen
zeggen eerder bepaalde idealen verwezenlijken (‘Groot-Scandinavië) maar er zijn geen
1
, instrumenten die dit kunnen afdwingen, een supermacht willen worden en kunnen
concurreren met de VS, een ‘groot-Zwitserland’ zijn waarbij de EU werkt als instantie die
vooral focust op zichzelf of ten slotte een civiele macht te zijn door democratie en rust te
promoten. De EU heeft veel belang bij rust en stabiliteit in de wereld (meer handel, minder
migratie…). Bij deze visie zijn er wel middelen om de zaken te verwezenlijken
- Cultuurbeleid
Theorieën kunnen bepaalde evoluties helpen begrijpen.
- Neofunctionalisme: de Europese eenmaking begint met samenwerking op een functioneel
domein (kolen en staal) omdat de landen daar belang bij hadden. Dit zette een dynamiek in gang:
domeinen plakken vast aan elkaar, automatisch zal je andere zaken gezamenlijk moeten
organiseren (= spillover), deze dynamiek is eigen aan het systeem zelf.
- Intergouvernementalisme: volgens deze theorie klopt de dynamiek van spillover niet, dit zien we
bijvoorbeeld in het domein migratie. Er is vrij verkeer van personen en goederen, de volgende stap
zou dan een gezamenlijk migratiebeleid moeten zijn volgens neofunctionalisten. In de realiteit is
dit er nog lang niet; landen willen die controle niet loslaten. Als gezamenlijke samenwerking in het
belang is van de landen zelf, dan zal dat pas gebeuren. De belangen van de lidstaten primeren.
o In de werkelijkheid is dit er ook niet strikt zo, er zijn domeinen waarrond er wel
gedetailleerde regels en samenwerking is. Daarnaast zien we dat het Europees Parlement
veel macht heeft omtrent wetgeving en vaak het laatste woord heeft, zij
vertegenwoordigen de burgers ipv. lidstaten. De belangen van lidstaten kunnen dus aan
de kant geschoven worden op sommige momenten.
o Een variant hierop: liberaal intergouvernementalisme
▪ Er is meer flexibiliteit: de belangen van lidstaten kunnen evolueren doorheen de
tijd. Een andere samenstelling van regering en parlement kan ervoor zorgen dat
dingen soms wel als een belang gezien worden en andere keren niet. Sommige
thema’s zijn belangrijker voor landen dan anderen. Op minder belangrijke
thema’s kunnen ze meer toegevingen doet als ze daardoor op het belangrijke
thema standvaster kunnen zijn of zich veilig kunnen stellen.
▪ Belangen van kleine landen spelen minder dan die van grotere landen
Deze theorieën zijn te algemeen om zaken in specifieke beleidsdomeinen te kunnen verklaren. De volgende
theorieën/kaders kunnen daar wel bij helpen:
1.1 HET PRINCIPAL-AGENT MODEL
De politiek-wetenschappelijke literatuur heeft het over het principal-agent perspectief: de principal is
degene die een deel van zijn bevoegdheden afstaat aan een agent, die in opdracht van de principal een
aantal taken moet vervullen. In de realiteit merkt men dat een agent al wel eens de neiging krijgt om zich
onafhankelijker te gedragen, bijvoorbeeld omdat hij op een bepaald moment over meer informatie beschikt
dan de principal. De agent kan er dus een eigen agenda op nahouden en zijn macht trachten te versterken,
waarbij de belangen van de principal naar het achterplan verdwijnen.
Om dit te vermijden kunnen heel duidelijke afspraken vooraf worden gemaakt of kan de principal
controlemechanismen creëren. Er kunnen bijvoorbeeld strikte procedures worden vastgesteld die de
bevoegdheden van de agent glashelder aflijnen. Dit gaat dan wel ten koste van de flexibiliteit en de
onafhankelijkheid van de agent, die op die manier misschien minder efficiënt wordt in het realiseren van
het doel waarvoor hij oorspronkelijk door de principal in het leven was geroepen. De principal kan ook
proberen om de agent bij de uitvoering van zijn taken op de vingers te kijken. Hij kan dit zelf doen of hij kan
deze controleopdracht aan een derde partij geven, een andere agent als het ware. De principal kan ook een
2
,vinger in de pap houden bij benoeming of ontslag van de agent. Of de principal kan ervoor zorgen dat hij
uiteindelijk het budget vastlegt waarmee de agent moet werken. Er zijn dus talrijke manieren om enige vorm
van controle te behouden, maar er hangt altijd een kostenplaatje aan vast.
In het geval van de Europese Unie wordt het allemaal nog wat complexer omdat er verschillende principals
(lidstaten) zijn, met uiteenlopende belangen, die diverse agents (supranationale instellingen) in het leven
riepen. Wie vanuit dit perspectief de besluitvorming probeert te ontleden, zal meteen zien dat de
verhoudingen zeer complex liggen. Geen van de verschillende instellingen beschikt over carte blanche in
de besluitvorming. De lidstaten trachten via diverse technieken hun belangen veilig te stellen, maar
behouden niet de volledige controle over alle facetten van de besluitvorming. Besluitvorming is niet enkel
een strijd tussen regeringen (intergouvernementeel), maar ook tussen instellingen (interinstitutioneel). Dit
model trapt dus niet in de val om a priori uit te gaan van de dominante rol van hetzij de supranationale
instellingen, hetzij de lidstaten. Wie dit model hanteert om de institutionele verhoudingen te bestuderen,
zal dus meer nuances en subtiliteiten zien dan intergouvernementalisten of neofunctionalisten.
Het principal-agent perspectief is niet meteen een grote theorie die alle ontwikkelingen in de Europese
politiek kan verklaren. Wel wordt er een interessante invalshoek naar voor geschoven: de instellingen, de
manier waarop ze werken, hun onderlinge verhoudingen en de manier waarop ze soms met elkaar
concurreren, zijn erg belangrijk.
2 NIEUW-INSTITUTIONALISTISCHE THEORIEËN
- Zij zijn gebaseerd op de principal-agent benadering
- Hechten belang aan instellingen (institutions matter)
o Aan de hand van hoe een instelling werkt, zal de uitkomst anders zijn
▪ Bijvoorbeeld beslissen met QMV of unanimiteit zorgt voor een ander resultaat in
wat de instelling zal doen in een bepaalde situatie. Unanimiteit zal vaker zorgen
voor minder krachtige beslissingen.
o De cultuur van een instelling kan ook bepalend zijn
▪ Bijvoorbeeld: de voorbereidingen van dossiers in de EC worden verdeeld onder
delegaties, en afhankelijk van welke delegatie aangeduid wordt voor een
voorbereiding in te dienen, zal er een ander accent op gelegd worden.
(bijvoorbeeld: delegaties industrie vs. Klimaat)
- Dus kijken naar de processen/procedures, belangen en cultuur/sfeer binnen de organisatie om te
begrijpen waarom die iets wel/niet doet.
- Er zijn verschillende soorten N-I, hier worden er 3 besproken. Ze kunnen helpen om dynamieken te
begrijpen en zaken te voorspellen. Ze kunnen elkaar tegenspreken, maar ook aanvullen.
o Bijvoorbeeld: uitbreiding naar Centraal- en Oost-Europa (2004)
▪ De EU breidde toen uit met 10 landen. Vanuit het RC N-I is dit moeilijk begrijpbaar.
Sommige landen hadden wel belang bij de uitbreiding, Duitsland bijvoorbeeld
(geografisch dichtbij en nieuwe afzetmarkten -> economisch belang). Andere
landen niet, bijvoorbeeld Spanje en Portugal (verre ligging, weinig export,
subsidies voor achtergestelde regio’s worden meer gegeven aan nieuwe landen).
De landen die er wel belang bij hadden, waren erin geslaagd om het dominante
debat te zetten. Vanuit hier volgt het S N-I als verklaring voor de uitbreiding; het
dominante discours was het volgende. “Wij landen van de EU hebben de landen
niet geholpen toen ze onder communistische invloed waren, nu is onze kans om
dat wel te doen.” Er werd dus een sfeer gecreëerd en het discours werd verspreid,
dus die landen vroegen dan ook toelating tot de EU. Nu was er als EU ook geen
weg meer terug. Dan kan je het H N-I gebruiken als verklaring; op het moment dat
3
, de EU zaken begon te beloven en aan te kondigen, begonnen de landen zich
anders te organiseren en sterk te groeien. Binnen de EU was er na verloop van tijd
geen enthousiasme meer, men zag in dat de uitbreiding ook een kost met zich zou
meebrengen. Deze landen zullen subsidies nodig hebben, ze maken
beslissingsvoering moeilijker… maar de belofte van het lidmaatschap kon niet
zomaar verbroken worden. Het zou leiden tot instabiliteit binnen die landen. Een
keuze werd dus gemaakt en de EU kan er niet op terugkomen zonder er een grote
prijs voor te betalen.
2.1 RATIONAL-CHOICE NIEUW-INSTITUTIONALISME
- Ligt het dichtst bij het liberaal intergouvernementalisme
- De basis: de belangen van de lidstaten
o Ieder land in de EU probeert haar eigen belangen te realiseren
o Als er iets wijzigt aan de institutionele context, dan zullen de spelers hun strategie
aanpassen, maar ze blijven handelen in functie van het eigenbelang.
o Gaandeweg werden instellingen met hun eigen regels uitgebouwd, hierdoor gaan landen
hun strategie aanpassen hieraan. Dit zal dan ook mee de uitkomst bepalen
▪ Dus: belangen van lidstaten + procedures => kunnen uitkomst voorspellen
▪ De instellingen werden doelbewust gecreëerd om de belangen van de
afzonderlijke lidstaten veilig te stellen. Ze vinden het begrijpelijk dat de
instellingen zullen proberen om hun eigen weg te gaan en aparte belangen na te
streven, maar als het om belangrijke dossiers gaat, zullen de lidstaten dat niet
toelaten. Er zijn immers mechanismen voorzien om hen uiteindelijk weer in de pas
te doen lopen.
▪ Bijvoorbeeld: als een beslissing genomen wordt met unanimiteit, zal de uitkomst
anders zijn dan wanneer QMV gebruikt wordt. Landen passen hun strategie aan
a.d.h.v. de procedures
▪ Bijvoorbeeld: tijdens stemming met QMV kan een land meer toegevingen doen,
omdat die anders weggestemd zal worden. Er kan een meerderheid gevormd
worden, en het land kan geen inspraak gehad hebben op wat er zal gebeuren.
Daarom kan men dus het standpunt en hun strategie aanpassen. Bij unanimiteit
zal een land dit niet doen, omdat ze weten dat zonder hun stem er niks kan
gebeuren. Een liberaal-intergouvernementalist zou zeggen dat in beide gevallen
het land op hun strepen zal blijven staan en niet zal veranderen omwille van hun
belangen.
2.2 SOCIOLOGISCH NIEUW -INSTITUTIONALISME
- Belangen van lidstaten zijn niet echt relevant
- De uitkomst van beleid wordt bepaald door het algemene klimaat (de dominante ideeën, hetgeen
dat als evident wordt aangenomen…)
o Er is een dominante sfeer/klimaat, en daarin worden beslissingen genomen
- Kijk naar de dominante ideeën/sfeer op het moment, en dit zal de uitkomst bepalen
o Als je beleid wilt veranderen, dan moet je de dominante ideeën en het klimaat veranderen
▪ Speeches en toespraken kunnen effect daarop hebben (bijvoorbeeld: het
standpunt van de EU-lidstaten tov. Palestina verandert gaandeweg)
▪ Je moet het debat kunnen veranderen/zetten!
▪ Cf. constructivisme
- Wanneer je beslissingen niet kan verklaren a.d.h.v. belangen van de lidstaten, kan je het wel
hierdoor verklaren volgens de theorie
4