Sport en Beweging 2
Hoofdstuk 1: Algemene inleiding
De fysiologische basis van training
Het trainingseffect
- Oefeneffect = resultaat voor 1 oefening
▪ Oefenmodaliteiten
➢ Intensiteit
➢ Omvang
➢ Frequentie
- Trainingseffect = algemeen effect, bv. toename kracht
▪ Oefenmodaliteiten
➢ Aard
➢ Intensiteit
➢ Omvang oefenprikkel
Structuur en eigenschappen van skeletspier
- Type-I-vezels = trage vezels
→ duurcontracties, aerobe energielevering
- Type-II-vezels = snelle vezels
→ maximale, kortstondige contracties, anaerobe energielevering
De algemene principes van trainingsproces
Principe van toenemende belasting
- Prikkel moet hoger dan wat persoon gewoon is
▪ Trainingsbelasting progressief verhogen
▪ Oefeningen veranderen
- Belasting verhogen:
▪ 15 herhalingen met bepaald gewicht
- Optimale prikkel bepalen
▪ Trainingsgeschiedenis patiënt nodig
,Supercompensatie
- Fase 1
▪ Tijdelijke daling prestatievermogen
▪ Energiereserves gedaald
- Fase 2
▪ Herstel
▪ Prestatieniveau stijgt tot beginniveau
- Fase 3
▪ Tijdelijke toename prestatieniveau
- Fase 4
▪ Daling tot beginniveau indien geen nieuwe prikkel
- Prikkelmoment
▪ Te laat: prestatieniveau constant
▪ Te vroeg: prestatieniveau daalt
▪ Op tijd: progressieve toename prestatieniveau
Principe van omkeerbaarheid
- Stoppen met trainen
▪ Snelle afname trainingseffecten
▪ Na 1-2 weken: daling prestatieniveau
▪ Na enkele maanden: bijna volledige trainingswinst verdwenen
Principe van specificiteit
- Trainingseffect is specifiek
▪ Optimaal oefeneffect
➢ Voorwaarde: spieren specifiek belasten
Principe van individuele verschillen en trainingsgevoeligheid
- Trainingseffect verschilt
▪ Gemiddelde schema’s = gemiddeld trainingseffect
, Hoofdstuk 2: Kracht
Definities vanuit trainingspraktijk
- Dynamische concentrische contractie
▪ Spierkracht > weerstand
- Dynamische excentrische contractie
▪ Spierkracht < weerstand
- Statische contractie
▪ Spierkracht = weerstand
Maximale kracht
→ Hoogst mogelijk te ontwikkelen kracht
- Maximaal statische kracht
▪ Maximale kracht bij onoverwinbare weerstand
▪ Geen bewegingsverloop
- Maximale dynamische kracht
▪ Maximale kracht bij overwinbare weerstand
▪ Wel bewegingsverloop
▪ 10-15% lager dan statische kracht
- Relatieve vs. absolute kracht
▪ Relatieve kracht = kracht per eenheid lichaamsgewicht
➢ Bv. Turnen, worstelen
▪ Absolute kracht = maximale kracht van persoon
➢ Bv. gewichtheffen
- Activatie spiervezels
▪ Niet-atleten: 70%
▪ Atleten: kan richting 100%
Snelkracht en explosieve kracht
- Snelkracht
▪ Hoge snelheid
▪ Krachtcomponent laag
▪ Repetitief
- Explosieve kracht
▪ Krachtcomponent + snelheid maximaal
▪ Éénmalige verplaatsing grote weerstand
➢ Kogelstoten
➢ Hoogspringen
Hoofdstuk 1: Algemene inleiding
De fysiologische basis van training
Het trainingseffect
- Oefeneffect = resultaat voor 1 oefening
▪ Oefenmodaliteiten
➢ Intensiteit
➢ Omvang
➢ Frequentie
- Trainingseffect = algemeen effect, bv. toename kracht
▪ Oefenmodaliteiten
➢ Aard
➢ Intensiteit
➢ Omvang oefenprikkel
Structuur en eigenschappen van skeletspier
- Type-I-vezels = trage vezels
→ duurcontracties, aerobe energielevering
- Type-II-vezels = snelle vezels
→ maximale, kortstondige contracties, anaerobe energielevering
De algemene principes van trainingsproces
Principe van toenemende belasting
- Prikkel moet hoger dan wat persoon gewoon is
▪ Trainingsbelasting progressief verhogen
▪ Oefeningen veranderen
- Belasting verhogen:
▪ 15 herhalingen met bepaald gewicht
- Optimale prikkel bepalen
▪ Trainingsgeschiedenis patiënt nodig
,Supercompensatie
- Fase 1
▪ Tijdelijke daling prestatievermogen
▪ Energiereserves gedaald
- Fase 2
▪ Herstel
▪ Prestatieniveau stijgt tot beginniveau
- Fase 3
▪ Tijdelijke toename prestatieniveau
- Fase 4
▪ Daling tot beginniveau indien geen nieuwe prikkel
- Prikkelmoment
▪ Te laat: prestatieniveau constant
▪ Te vroeg: prestatieniveau daalt
▪ Op tijd: progressieve toename prestatieniveau
Principe van omkeerbaarheid
- Stoppen met trainen
▪ Snelle afname trainingseffecten
▪ Na 1-2 weken: daling prestatieniveau
▪ Na enkele maanden: bijna volledige trainingswinst verdwenen
Principe van specificiteit
- Trainingseffect is specifiek
▪ Optimaal oefeneffect
➢ Voorwaarde: spieren specifiek belasten
Principe van individuele verschillen en trainingsgevoeligheid
- Trainingseffect verschilt
▪ Gemiddelde schema’s = gemiddeld trainingseffect
, Hoofdstuk 2: Kracht
Definities vanuit trainingspraktijk
- Dynamische concentrische contractie
▪ Spierkracht > weerstand
- Dynamische excentrische contractie
▪ Spierkracht < weerstand
- Statische contractie
▪ Spierkracht = weerstand
Maximale kracht
→ Hoogst mogelijk te ontwikkelen kracht
- Maximaal statische kracht
▪ Maximale kracht bij onoverwinbare weerstand
▪ Geen bewegingsverloop
- Maximale dynamische kracht
▪ Maximale kracht bij overwinbare weerstand
▪ Wel bewegingsverloop
▪ 10-15% lager dan statische kracht
- Relatieve vs. absolute kracht
▪ Relatieve kracht = kracht per eenheid lichaamsgewicht
➢ Bv. Turnen, worstelen
▪ Absolute kracht = maximale kracht van persoon
➢ Bv. gewichtheffen
- Activatie spiervezels
▪ Niet-atleten: 70%
▪ Atleten: kan richting 100%
Snelkracht en explosieve kracht
- Snelkracht
▪ Hoge snelheid
▪ Krachtcomponent laag
▪ Repetitief
- Explosieve kracht
▪ Krachtcomponent + snelheid maximaal
▪ Éénmalige verplaatsing grote weerstand
➢ Kogelstoten
➢ Hoogspringen