WERKCOLLEGE 1:
Introductie van de concepten
Visualisatie bio-psycho-sociaal model:
Het biopsychosociaal model is een uitbreiding van het klassieke biomedische model. Waar het
biomedische model vooral focust op biologische factoren, benadrukt het biopsychosociaal
model dat menselijk functioneren, ziekte, pijn en herstel altijd het resultaat zijn van een
samenspel tussen drie domeinen:
● Biologisch (bv. lichamelijke processen, genetica, pijnmechanismen)
● Psychologisch (bv. emoties, gedachten, coping, depressie)
● Sociaal (bv. relaties, steun, omgeving, isolatie)
● (spirituele ook van belang bij velen)
Engel introduceerde dit model omdat psychologische en sociale factoren in het biomedische
model genegeerd werden, terwijl ze een grote invloed hebben op zowel het ontstaan als het
verloop van ziekte.
Waarom dit model belangrijk is
● Het maakt zichtbaar dat gedrag, emoties en sociale context mee bepalen hoe iemand
ziekte ervaart.
● Ziekte beïnvloedt op zijn beurt ook het psychisch welzijn en sociale relaties.
● Het model wordt vandaag gezien als een standaardreferentie in wetenschap,
diagnostiek en zorg.
Voorbeelden uit onderzoek
● Er bestaat een wederkerige relatie tussen depressie en pijn:
○ Pijnpatiënten lopen meer risico op depressie.
○ Mensen met depressie hebben meer kans op chronische pijn.
● Sociale isolatie versterkt pijnklachten.
, ● Sociale en emotionele steun helpt bij het verwerken van pijnervaringen.
Kernidee
De drie domeinen — fysisch, psychisch en sociaal — beïnvloeden elkaar voortdurend en
moeten daarom samen bekeken en behandeld worden.
Kleine oefening:
Ik ben enorm moe de laatste tijd, al heb ik geen idee waarom. Je zou denken dat iemand van
mijn leeftijd (21) toch wel wat meer pit in z'n lijf heeft. Die vermoeidheid heb ik altijd gehad.
Mijn ouders zijn enorm actieve mensen die schijnbaar nooit moe worden. Hoe kan het toch
dat ik wel zo snel moe word? Ik denk dat ik meer lijk op mijn opa dan op mijn ouders. Hij is ook
iemand die eerder geniet van een avondje thuis dan van een dagelijkse uitstap. We zijn dan ook
beiden wat zwaardere mensen. Hier voel ik me ook niet zo goed bij want ik wil wel fitter zijn.
Naar een sportschool gaan lijkt me dan weer een te grote stap, vooral op sociaal gebied. Niet
dat ik geen vrienden heb ofzo, heel goede zelfs, maar ik kan erg genieten van me-time. Dat
terzijde, ik ga afstuderen dit jaar en wil niet met die vermoeidheid beginnen werken.
Tenminste, als ik start met werken. Ik twijfel nog om een masteropleiding te starten. Mijn
ouders raden dit af. Niet omdat ik dom ben maar omdat ik volgens hen een enorme stresskip
ben geweest tijdens mijn bacheloropleiding. Ze vrezen dat het nog erger kan worden bij een
masteropleiding. Ik ben inderdaad iemand die snel last heeft van stress.
Welke elementen hebben allemaal een invloed op het functioneren van de persoon?
B: Eerder actieve ouders, maar meer aard naar opa. Perfectionistische trekjes en gevoelig aan
stress, vermoeidheid, zwaarder gelijfd
P: Twijfel rond toekomst, frustratie naar vermoeidheid toe, stress
S: Goede vrienden, minder aansluiting bij ouders?
Belangrijke concepten:
Classificatiesystemen:
● ICF: vooral bij mens en leren verder besproken
● DSM-5: veel gebruikt binnen klinische
Diagnostic and Statistical Manual of
, Mental Disorders (fifth edition)
Diagnostische cyclus:
Zowel de volgorde van de stappen als de uitleg bij de stappen dienen studenten te kennen
Hulpvraag:
● Mensen of groepen mensen presenteren zich
met klachten, vaak vaag geformuleerd (denk
terug aan Casussen Communicatie!).
● Wij helpen hen de klachten verder te verfijnen
tot haalbare doelstellingen.
● Uiteindelijk formuleren we heldere, concrete
hulpvragen om zelf als professional mee aan de
slag te gaan.
Behulpzame methode om naar hulpvragen
te kijken is om ze te onderverdelen in drie
categorieën.
Tip: Enkel afgaan op het vraagwoord op de
slide (wat-waarom-hoe) is geen goed plan want je kan ook andere vraagwoorden gebruiken:
● Onderkennend: bv Wat is er? Waarover gaat het?...
● Verklarend: Waarom is dit aan de hand? Hoe komt het? Wat heeft hiertoe geleid?...
● Indicerend: Hoe kan dit worden opgelost? Wat kan ik eraan doen? Welke aanpak is
wenselijk?...
Insteek van mensen kan verschillen.
, Bv. Iemand voelt zich erg neerslachtig. De ene persoon wil erg graag weten wat dit is, of het een
depressie is bv. De andere persoon wil vooral weten hoe het komt dat hij zich zo slecht voelt.
Iemand anders is dan weer minder bezig met het wat en hoe, maar wil vooral weten hoe eruit
te komen.
OEFENING: TYPES HULPVRAGEN:
Onderkennend: wat is er aan de hand? 1 , 3, 5, 7
Verklarend: Waarom is dit aan de hand? 2, 4, 9, 10
Indicerend: hoe kan dit worden opgelost? 6, 8, 11
CASUS oefening:
Emma, een 16-jarig meisje uit een middelgroot gezin, wordt door haar ouders aangemeld bij
jou. De laatste maanden heeft Emma's zelfvertrouwen een dieptepunt bereikt. Haar ouders
merkten veranderingen in haar gedrag; ze is teruggetrokken en neemt nauwelijks deel aan
gezinsactiviteiten. Op school vermijdt ze groepsprojecten en spreekt zelden in de klas. Haar
leraren hebben haar ouders geïnformeerd over haar afnemende participatie en dalende cijfers.
Ze zit in haar vierde jaar van de middelbare school en heeft altijd redelijke cijfers behaald.
Tijdens het gesprek ga je als psychologisch consulent grondig te werk en wil je zoveel mogelijk
over de situatie van Emma weten. Er zijn een aantal zaken die je opvallen: ze maakt raar of
zelden oogcontact met jou, ze doet harde uitspraken zoals 'niemand vindt mij leuk', ze heeft
minder zin in haar hobby's (tekenen en lezen),… . Emma heeft tijdens het gesprek nog niet veel
gezegd. Pas wanneer je de vraag stelt: 'wat denk jij uit onze gesprekken te halen?', geeft ze een
duidelijk antwoord: 'ik wil weten waarom niemand met mij wil samenwerken in school of na
school wil afspreken!'. Ze wordt hier zichtbaar boos en verdrietig van. Je wilt weten wat ze
hiermee wilt zeggen en gaat in op deze uitspraak.
Welk type hulpvraag herken je? Verklarend
In welke fase van het psychodiagnostisch proces zitten we? Probleemdefiniëring