Hoofdstuk 1: Wat is intelligentie?
1. Intelligentie in de naïeve psychologische theorie
● Veel verschillende opvattingen over intelligentie
● Intelligentie in de volksmond (slim, snel van begrip, knap, pienter, ...)
Onderzoek van Robert Sternberg:
Wat denkt een leek over intelligentie?
● Impliciete theorie over intelligentie
● Inschatting van intelligentie bij anderen correleert hoog met resultaten uit
intelligentietesten (bij iemand die je goed kent)
● Breder en diffuser beeld van intelligentie dan de wetenschap:
○ Ook alledaags functioneren in rekening genomen
○ Common sence idee van intelligentie
Wetenschappelijke opvattingen onderscheiden zich tussen die van leken:
Leken hebben een breder beeld over intelligentie, minder gefocusd, nemen er sociale dingen
erbij, motivatie. Wetenschappelijk is veel meer beknopt, letterlijk en meer afgebakend tot
'academische' intelligentie.
Definitie van Boring uit 1923:
"Intelligentie is dat wat de test meet" -> wat de test meet is intelligentie (cirkel)
● definitie = circulair
● zeer veel gebruikt
● eerder verwarrend dan helder, meer kwaad dan goed gedaan
→ Terug bij de vraag: Wat is intelligentie?
Definities van intelligentie volgens wetenschappers:
● Thorndike: “De capaciteit om responsen te geven die stroken met de waarheid en de feiten.”
● Pintner: “De capaciteit om zich aan te passen aan relatief nieuwe situaties.”
● Terman: “De capaciteit om zich op abstract denken te baseren.”
● Deareborn: “De capaciteit om te leren en profijt te halen uit wat men leert”
● Baron: “Onder intelligentie wordt verstaan: het geheel van vermogens dat ervoor zorgt dat mensen
succesvol zijn in het bereiken van hun eigen, rationeel gekozen doelen.”
● Das: “Intelligentie is de totaliteit van alle cognitieve processen, waaronder planning,
informatieverwerking en aandacht.”
● Detterman: “Intelligentie is het samenspel van maten die schoolse vaardiheden kunnen voorspellen.”
Niveaus van intelligentie: A,B en C: ordenen van definities
● Intelligentie A:
- Aangeboren potentieel tot intelligent handelen
- Ligt vast in de hersenen, kan je niet in cijfers uitdrukken
- Cultuuronafhankelijk en stabiel
- Niet meetbaar (ligt voorbij dat wat meetbaar is) en is daarom een theoretische
veronderstelling
- Bij baby kan je niet meten
, ● Intelligentie B:
○ Interactie tussen genetische aanleg en omgevingsinvloeden/leerervaringen
○ Mede afhankelijk van:
- opvoeding
- leefomstandigheden voor en na de geboorte (voeding, culturele
gewoonten)
- onderwijs
- levenservaringen
● Cultuurgebonden en veranderlijk
● In principe meetbaar
● Intelligentie C:
○ wat een intelligentietest meet
○ de gemeten intelligentie van een persoon
= het IQ
→ meeste wetenschappelijke definities van intelligentie: op niveau van intelligentie B
en intelligentie C
Niet 1 definitie: Wat nu?
- Nadruk op allerlei onderliggende verstandelijke cognitieve processen en vaardigheden
- Belang van “metacognitie” (het meer of minder gericht sturen van de eigen cognitieve
processen en vermogens)
- “uitvoeringsprocessen” komen in meer dan 40 % van de moderne definities voor en in
slechts 10 % van de oudere definities
- “Abstract redeneren” in helft van de moderne definities
- Vermogen tot probleem oplossen
- Vermogen om te leren en zich aan te passen aan nieuwe taken en nieuwe
omstandigheden komt men regelmatig tegen.
,Geschiedenis van intelligentie:
2 grote stromingen in intelligentieonderzoek:
1) Psychometrische benadering:
oudste benadering, statistisch
- Uit statistisch onderzoek: één factor intelligentie (g) of meerdere factoren die samen
intelligentie vormen
SPEARMAN
○ Pionier op vlak van factoranalyse (statistiek:
rangcorrelatiecoëfficiënt)
○ Eén vd eerste onderzoekers: constructie van een theoretisch
intelligentiemodel
○ Vond positieve correlaties tussen enerzijds eenvoudige
sensorische en motorische proefjes en anderzijds schoolse
prestaties
○ Zag dat mensen die op 1 taak goed scoorden, ook op en andere
taak goed scoren
THEORIE:
● Intelligentie = ‘g’ of general intelligence
● g-factor = latente variabele die de correlaties veroorzaakt tussen de verschillende
maten van cognitieve vaardigheid = correlaties worden verklaart door g-factor
= gemeenschappelijke variantie tussen de diverse maten van cognitieve
vaardigheid
(wat de verschillende maten van cognitieve vaardigheid gemeenschappelijk
hebben)
→ single factor model of intelligence
, Naast g-factor ook meer specifieke factoren =
s-factoren
g = algemene mentale activiteit
s = mentale activiteiten die specifiek voor één taak
nodig zijn
rest van de variantie
Omwille van “g” én “s” ook tweefactorentheorie
van intelligentie genoemd
Spearman: intelligentietest
● Volgens Spearman: zuivere intelligentietesten = tests waarin het waarnemen van
relaties centraal staan, zoals bijvoorbeeld het oplossen van analogieproblemen als
'muis : klein = olifant : ???'
● Eerste intelligentietesten gebaseerd op idee: intelligentie = 1 factor:
○ Stanford-Binet intelligentietest van Terman
○ Eerste Wechlerschalen
+ KRITIEK OP SPEARMAN
● Eén algemene intelligentiefactor en daarnaast vele kleine, specifieke factoren = veel te
eenvoudig volgens andere onderzoekers
● Verschillende onderzoekers:
○ Geen één algemene intelligentiefactor
○ Wel verschillende intelligentiefactoren zijn die slechts in beperkte mate
overlappen
● Geen enkelvoudige maar meervoudige theorie van intelligentie
THURSTONE
Primary Mental Abilities
● Ontwikkelt de statistische techniek van de multiple factoranalyse
● Theorie over de ‘primary mental abilities’
● Op basis van factoranalytisch onderzoek op een uitvoerige batterij
van 57 tests
THEORIE:
● Thurstone zocht naar meerdere onafhankelijkefactoren met een
eenvoudige structuur
>< Spearman: 1 algemene factor “g”
→ volgens Thurstone bestaat “g” niet
= statistisch artefact (een gevolgtrekking die voortkomt uit vertekening bij het
verzamelen of manipuleren van gegevens)
● Later compromis: een algemene vorm van intelligentie + zeven specifieke
subvormen