1.1 Chemische en fysische eigenschappen
Chemische eigenschappen beschrijven hoe een stof kan worden omgezet
in een andere stof of hoe verschillende stoffen met elkaar reageren.
- Voorbeeld: bij de verbranding van papier reageert het papier met
zuurstof (O2), waarbij onder andere koolstofdioxide (C O2) ontstaat.
Fysische eigenschappen hebben betrekking op veranderingen waarbij de
chemische samenstelling van de stof behouden blijft. De stof kan
bijvoorbeeld van fase veranderen.
- Voorbeeld: wanneer water verdampt, verandert het van vloeibare naar
gasvormige toestand. De stof blijft water ( H 2 O ).
1.2 Elementen, metalen en verbindingen
- Elementen: de eenvoudigste soorten materie die uit één atoomsoort
bestaan. Ze kunnen voorkomen als:
Monoatomische deeltjes: één atoom.
Diatomische deeltjes: twee atomen.
Deeltjes die uit een groot aantal atomen bestaan.
- Metalen: stoffen die doorgaans bestaan uit een uitgebreid netwerk van
metaalatomen of positieve metaalkernen met gedelokaliseerde
elektronen. Grafiet en diamant zijn géén metalen, maar vormen
structuren van koolstof.
- Verbindingen: stoffen die opgebouwd zijn uit twee of meer verschillende
atoomsoorten. Voorbeelden zijn water ( H 2 O ) en natriumchloride ( NaCl ).
1.3 Zuivere stoffen en mengsels
Zuivere stoffen hebben een vaste, kenmerkende chemische samenstelling
en bepaalde karakteristieke eigenschappen.
Mengsels bestaan uit twee of meer zuivere stoffen die fysisch met elkaar
gecombineerd zijn. Wanneer de stoffen niet chemisch met elkaar
reageren, kunnen ze opnieuw gescheiden worden met behulp van fysische
technieken, zoals filtratie of verdamping.
Er zijn twee hoofdtypes mengsels:
Heterogeen mengsel;
De samenstelling is niet overal gelijk. Er zijn verschillende fasen aanwezig
die fysisch van elkaar te onderscheiden zijn.
, Voorbeelden: vaste deeltjes in een vloeistof of olie en water.
Homogeen mengsel;
De verschillende stoffen zijn gelijkmatig verdeeld. De samenstelling en
eigenschappen zijn overal uniform en er zijn geen afzonderlijk zichtbare
fasen.
Voorbeeld: natriumchloride ( NaCl ) opgelost in water.
2. De massawetten
De massawetten beschrijven hoe massa's en massaverhoudingen zich
gedragen bij chemische reacties en bij de vorming van verbindingen.
2.1 Wet van behoud van massa
Tijdens een gewone chemische reactie blijft de totale massa behouden. Er
gaan geen atomen verloren en er ontstaan geen nieuwe atomen: de
bestaande atomen worden enkel anders gerangschikt.
Uitzondering: bij kernreacties kan een deel van de massa worden omgezet
in energie en omgekeerd.
2.2 Wet van de constante massaverhouding
Binnen een bepaalde chemische verbinding is de massaverhouding tussen
de verschillende elementen altijd constant.
Voorbeeld: natriumchloride ( NaCl ) heeft steeds dezelfde verhouding
tussen de massa's van natrium en chloor, ongeacht of je 1 gram of 1
kilogram van de verbinding bekijkt.
2.3 Wet van de veelvuldige verhoudingen
Wanneer twee elementen verschillende verbindingen met elkaar vormen,
verhouden de massa's van het ene element die reageren met eenzelfde
massa van het andere element zich als kleine gehele getallen.
Voorbeeld: koolstof en zuurstof vormen zowel koolstofmonoxide (CO ) als
koolstofdioxide (C O2). Bij een gelijke hoeveelheid koolstof verschilt de
hoeveelheid zuurstof in een verhouding van 1 : 2.
3. De atoomtheorie van Dalton
Dalton stelde een atoomtheorie op die uit vier belangrijke ideeën bestaat.
Stelling Correct? Uitleg
1. Een atoom is het kleinste Niet correct Atomen bestaan uit
onderdeel van materie. subatomaire deeltjes, zoals
protonen, neutronen en