cervicale wervelzuil
7 cervicale wervels
protuberentia occipitalis externa
o ligt op het achterhoofd
hier vind je een uit stekende ‘streep’
op het midden van die ‘streep’ ligt het
lineae nuchae superiores
o lateraal van de protuberentia occipitialis externa
o de ‘streep’ op het achterhoofd, maar dan lateraal gedeelte
processus spinosi
o C1: heeft er geen
o C2: eerste die je voelt als je vertrekt van de protuberentia
occipitalis
o C3-C5: liggen iets meer ventraal waarts: moeilijker te voelen
o C6-C7: weer goed zichtbaar
C7 = vertebra prominens
onderscheid C6 en C7?
- extensie – flexie vragen
o bij flexie worden ze beide voelbaar
o bij extensie: C6 beweegt weg, C7 beweegt
minder
onderscheid C7 en T1?
- rotatie: C7 roteert, T1 blijft stil
processus mastoideus
o heel aanwezig botstructuur achter het oor
processus transversus atlantis (C1)
o caudaal van de processus mastoideus
o dorsaal van de ramus mandibulae
processus transversi C2-C6
o niet rechtstreeks palpabel
o kunnen benaderd worden door de m. trapezius ventraalwaarts
te palperen
thoracale wervelzuil
12 thoracale wervels
processi spinosi
o moeilijker dan cervicaal, want ze liggen hier dichter bij elkaar
o palperen makkelijker in buiklig dan in stand
scapulae
o spina scapulae ongeveer t.h.v. T3
o angulus superior: moeilijk te palperen want bedekt door de m.
levator scapulae
1
, o angulus inferior ongeveer t.h.v. T7
o margo medialis makkelijk te palperen tot de angulus inferior
o margo superior vrijwel niet te palperen doordat die bedekt
wordt door spieren:
m. supraspinatus
m. trapezius
o margo lateralis vrijwel niet te palperen doordat die bedekt
wordt door spieren:
m. deltoideus
m. infraspinatus
m. teres minor
m. teres major
m. latissimus dorsi
lumbale wervelzuil en het bekken
5 lumbale wervels
belangrijke referentiepunten
o discus L3-L4: t.h.v. de navel
o discus L4-L5: hoogste punt van de crista iliaca
o processus spinosus S2: onderrand SIPS
processus spinosi
o makkelijker te palperen met wervelzuil in flexie
afstand tussen de spinosi is dan het grootst
o patiënt staat rechtop en mag zijn hoofd en ledematen niet
bewegen
anders kunnen er verschuivingen van de huid optreden
o als je de laatste thoracale wervels en de lendenwervels niet
vindt, vraag je
of de patiënt even vooroverbuigt
je plaatst je vinger op de wervel
patiënt strekt de romp dan terug
je haalt je vinger van de huid, maar houdt hem nog op
dezelfde hoogte
de huid kan terug bewegen
je plaatst je vinger terug en tekent de wervel af
2