LUMBALE WERVELZUIL
1. basisfunctieonderzoek
1.1 actief onderzoek
--> P in verschillende vlakken observeren!!
flexie
- P in stand, 1 voetbreedte afstand tussen voeten
- P doet voorwaartse flexiebeweging met volledige romp, knieën
gestrekt!
- voor globale mobiliteit romp: afstand vinger-grondafstand
- voor lumbale mobiliteit: kijken naar lumbale regio en stand van het
sacrum
--> verkorting van de hamstrings kan bewegingsuitslag beïnvloeden
extensie
- P in stand, 1 voetbreedte afstand tussen voeten
- P doet extensiebeweging t.h.v. de lumbale wervelzuil, knieën gestrekt!
--> extensiebeweging = achterwaarts bewegen van de romp
- armen naast de romp of handen op de poep voor meer steun
lateroflexie
- P in stand, 1 voetbreedte afstand tussen voeten
- P doet lateroflexiebeweging t.h.v. L wervelzuil, knieën gestrekt en
voeten op de grond!
--> lateroflexiebeweging = zijwaarts bewegen van de romp
- armen worden naast het lichaam gehouden
rotatie
- P in stand, 1 voetbreedte afstand tussen voeten, armen gekruist voor
borst
- P doet rotatiebeweging t.h.v. L wervelzuil, knieën gestrekt en voeten
op de grond!
- bekken zal meeroteren
- gelokaliseerde lumbale rotatie kan bekomen w doordat T het bekken
fixeert
1
, 1.2 passief onderzoek
--> hetzelfde als actief onderzoek met passieve overdruk
--> iets meer provoceren door herhaling, gecombineerde
bewegingen of overdruk
flexie (begeleiden, geen overdruk)
extensie
lateroflexie
rotatie
1.3 bijkomend onderzoek
--> bij een lumbaal onderzoek altijd de passieve bewegingen van de heup mee
uitvoeren:
flexie/extensie
exorotatie/endorotatie
2
, abductie/adductie
1.4 objectieve bepaling van de
mobiliteit van de wervelzuil
--> beperking van de lumbale flexie
kan het best geëvalueerd w door de
Schober-test
Schober-test
- T palpeert en verbindt d.m.v. een horizontale lijn beide crista iliaca
- meet 2cm af naar caudaal en vanaf dat punt 10cm naar craniaal, plaats hier een
streepje
- P moet nu zover mogelijk naar voor buigen
- T meet nu de afstand tussen het onderste en bovenste streepje, dit moet ongeveer
15cm zijn
--> indien minder dan 13cm = afwijkend
2. toegevoegd onderzoek
2.1 myofasciaal onderzoek
a) spierlengtetests
M. iliopsoas
oriënterende lengtetest
- P neemt een schredestand aan
- voorste voet kan op een krukje of op de grond staan
- achterste voet moet recht vooruitwijzen
- P brengt het bekken vooruit
- nu komt de iliopsoas van het achterste been op rek
- de hiel van de achterste voet mag van de grond komen
- normaal: een extensie van 20-30°
3
, specifieke lengtest -
test van Janda
- P staat met de zitbeenknobbels tegen de rand van de tafel
- P heeft de knie van het niet te onderzoeken been met beide handen opgetrokken
tegen de borst
- T begeleidt de P rond de rug en het gebogen been, en laat de P
gaan liggen (houding van Menell)
- de voet van het gebogen been steunt tegen de laterale thoraxwand
van de T ter fixatie van dit been/bekken
- het bekken mag niet naar anteversie kantelen!
- voor een normale lengte: geen pijn na langzame rek door de T
M. rectus femoris
oriënterende lengtetest
- P in stand
- P neemt de te onderzoeken voet vast achter zich
- geen heupflexie en geen anteversie!
tweede manier:
- P in kniestand een retroversie laten uitvoeren
specifieke lengtetest
- T begeleidt de P naar de houding van Menell
- enkel van het afhangende been w naar beneden & achter geduwd
--> extensie in heup en flexie in de knie
- normaal: horizontale positie van bovenbeen + 80° flexie in knie
- beperkingen (verkorting):
--> extensie in heup gaat gepaard met extensie van de knie
--> flexie in de knie, gaat gepaard met flexie in de heup
4