De middeleeuwen (500–1400) waren een moeilijke tijd waarin mensen te
maken hadden met oorlogen, ziektes, hongersnood en natuurrampen.
Daarom speelde het christelijke geloof een grote rol in het dagelijks leven.
De katholieke kerk had veel macht en gebruikte kunst en muziek om het
geloof te verspreiden en te versterken.
De belangrijkste muziek van de middeleeuwen bestond uit gregoriaanse
gezangen. Dit zijn vocale (gezongen) liederen die eenstemmig zijn, wat
betekent dat iedereen dezelfde melodie zingt. De gezangen werden in het
Latijn gezongen door monniken en maakten gebruik van kerktoonsoorten.
Sommige gezangen waren syllabisch, waarbij elke lettergreep één noot
krijgt. Andere waren melismatisch, waarbij meerdere noten op één
lettergreep worden gezongen. Gregoriaanse gezangen vormden de basis
van de kerkelijke muziek.
Vanaf de elfde eeuw ontstond de eerste meerstemmige muziek, het
organum. De oudste vorm hiervan was het parallel organum, waarbij
een tweede stem dezelfde melodie zingt maar dan parallel op een andere
toonhoogte. Deze tweede stem lag vaak een kwart lager of een kwint
hoger dan de oorspronkelijke melodie. Later ontstonden vormen waarbij de
stemmen niet meer volledig parallel liepen, maar in tegenbeweging
bewogen. Een verdere ontwikkeling was het melismatisch organum,
waarbij de oorspronkelijke melodie langzaam wordt aangehouden terwijl
een andere stem meerdere noten zingt.
De meerstemmige muziek werd steeds ingewikkelder. Uiteindelijk ontstond
het motet, een drie- of vierstemmige compositie waarin verschillende
stemmen soms zelfs verschillende teksten zongen. In de middeleeuwen
werden vooral de samenklanken kwart, kwint en octaaf als mooi en
harmonieus beschouwd.
Een belangrijk onderdeel van de katholieke eredienst was de mis. Tijdens
de mis werden vaste gezangen uitgevoerd, zoals het Kyrie, Gloria, Credo,
Sanctus en Agnus Dei. Rond 1360 maakte Guillaume de Machaut een
beroemde vierstemmige mis, waarmee hij een hoogtepunt van de
middeleeuwse muziek bereikte.
Naast kerkmuziek bestond er ook wereldlijke muziek. Een populaire
dansvorm was de estampie, een muziekstuk met een terugkerend refrein.
Daarbij werd vaak een bourdon gebruikt: een voortdurend klinkende
begeleiding gebaseerd op grondtoon en kwint. Deze muziek werd
gespeeld op instrumenten zoals vedel, fluit, trom en doedelzak.
Ook de troubadour speelde een belangrijke rol in de wereldlijke muziek.
Troubadours waren vaak verbonden aan adellijke hoven en schreven zowel
, de tekst als de muziek van hun liederen. Hun liederen worden
kunstliederen genoemd omdat ze zorgvuldig gecomponeerd waren en
vaak een poëtische tekst hadden. De onderwerpen waren meestal liefde,
ridderlijkheid en soms politieke gebeurtenissen. Daarom worden
troubadours vaak beschouwd als de eerste singer-songwriters van Europa.
Hoofdstuk 2
Je hebt gelijk. Voor een toets of essay moet de samenvatting eerst het
verhaal van de renaissance uitleggen, terwijl de begrippen er
natuurlijk in verwerkt zijn. Als je alleen de begrippen uit je hoofd leert, mis
je de samenhang. Hieronder staat een samenvatting op een niveau
waarmee je eerder een 8 of hoger kunt halen.
De muziek van de renaissance
De renaissance (ongeveer 1450-1600) betekent letterlijk 'wedergeboorte'.
In deze periode verandert de kijk op de wereld. Waar in de middeleeuwen
God centraal stond, komt nu de mens meer in het middelpunt te staan.
Deze nieuwe manier van denken noemen we het humanisme. Tegelijkertijd
vinden belangrijke gebeurtenissen plaats, zoals de uitvinding van de
drukpers, de ontdekking van Amerika door Columbus en de Reformatie
van Maarten Luther. Door al deze ontwikkelingen bloeien kunst,
wetenschap en muziek sterk op.
In de muziek blijft de kerk een belangrijke opdrachtgever. Het belangrijkste
muzikale genre binnen de kerk is de mis. Dit is een grote compositie op
vaste onderdelen van de katholieke eredienst, zoals het Kyrie, Gloria en
Sanctus. De muziek wordt meestal a capella uitgevoerd, wat betekent dat
er zonder instrumentale begeleiding wordt gezongen. De composities zijn
geschreven voor vier stemmen: sopraan, alt, tenor en bas.
Een belangrijk kenmerk van de renaissancemuziek is de polyfonie. Dit
betekent dat meerdere zelfstandige melodieën tegelijkertijd klinken.
Componisten gebruiken vaak een bestaande melodie als uitgangspunt.
Vervolgens verwerken zij delen van die melodie in alle stemmen. Daarbij
maken ze veel gebruik van imitatie, waarbij een melodie eerst door één
stem wordt gezongen en daarna door een andere stem wordt herhaald.
Wanneer deze techniek lange tijd wordt volgehouden, spreken we van
doorimitatie. De strengste vorm van imitatie is de canon, waarbij
verschillende stemmen precies dezelfde melodie zingen maar op
verschillende momenten beginnen. Ook het gebruik van een stempaar
komt veel voor: twee stemmen werken samen tegenover twee andere
stemmen.