1.1 Opbouw van DNA
DNA = desoxyribonucleïnezuur
→ drager van erfelijke informatie
Nucleotide = 3 onderdelen
● Fosfaatgroep (P)
● Suiker (desoxyribose)
● Base (A, T, G, C)
Basenparing
● A–T (2 H-bruggen)
● G–C (3 H-bruggen)
Structuur
● Twee strengen → dubbele helix
● Strengen lopen antiparallel:
○ ene: 5' → 3'
○ andere: 3' → 5'
1.2 Genen, genoom & chromosomen
Genoom = alle DNA van een organisme
Gen = stukje DNA met info voor 1 eigenschap
Aantal chromosomen bij de mens
● 46 chromosomen = 23 paren
○ 22 paren autosomen
○ 1 paar geslachtschromosomen:
■ XX (vrouw)
■ XY (man)
Celtypen
Celtype Aantal Voorbeeld
chromosomen
Diploïd (2n) 46 lichaamscellen
Haploïd (n) 23 eicellen, zaadcellen (voortplantingscellen)