• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 49 pagina's
Samenvatting

samenvatting Kwalitatief Pedagogisch Onderzoek colleges

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 49 pagina's

samenvatting Kwalitatief Pedagogisch Onderzoek volledige colleges/ eerste zit geslaagd

Voorbeeld van de inhoud

GRONDSLAGEN VAN KWALITATIEF -
PEDAGOGISCH ONDERZOEK
COLLEGE 1

1. INLEIDING



Dit opleidingsonderdeel (OPO) is geen ‘hoe doe je [x]’ cursus. De focus van het OPO ligt veeleer op het
verkrijgen van inzicht(en) in de epistemologische en ontologische veronderstellingen van (bepaalde
vormen van) kwalitatief onderzoek in de pedagogische wetenschappen.

- Epistemologie:
o “ook (filosofische) kennisleer genoemd; filosofische discipline die zich bezighoudt met
de vraag naar de aard, de reikwijdte en de rechtvaardiging van kennis” (d’Hoine, 2022, p.
381)
o ‘episteme’ en ‘logos’
o Kennisleer: wat is kennis? Wanneer we zeggen “ik weet dit of dat”, wat is de grondslag
voor deze uitspraak? Wat zijn de criteria op grond waarvan we een kennisuitspraak
doen? Wat is de grond van onze zekerheid wanneer we iets met zekerheid beweren te
weten? Enz.

- Ontologie:
o “zijnsleer, filosofische discipline die zich als onderdeel van de metafysica bezighoudt
met de verschillende manieren waarop dingen kunnen bestaan en met de meest
algemene kenmerken van al wat bestaat” (d’Hoine, 2022, p. 386)
o ‘onto’ en ‘logos’ (Grieks on [genetief ontos] “zijnde”; werkwoord: einai [“zijn”])
o (Metafysische) studie van “wat is”: wat is datgene waarvan we zeggen dat het bestaat, en
welke zijn dan de redenen daarvoor?




2. ONDERZOEK IN DE PEDAGOGISCHE WETENSCHAPPEN: TUSSEN ËRKLAREN EN
VERSTEHEN



- Natuurwetenschappen (bv. fysica, chemie, biologie): karakteristieke onderzoekswijze is
empirisch-analytisch van aard, meer in het bijzonder causaal-analytisch

- Menswetenschappen



o Gedrags- en maatschappijwetenschappen (bv. sociologie, psychologie):
▪ Studieobject of materiële object is het menselijk gedrag/handelen; formele
object is de sociale, respectievelijk psychologische aard van het menselijk
gedrag/handelen

, ▪ Karakteristieke benaderingswijze is empirisch-analytisch en causaal-analytisch:
verklaren (Erklären), kwantitatief
▪ Interesse gaat uit naar oorzakelijkheid (causaliteit; causation)

o Cultuurwetenschappen of geesteswetenschappen (in het Engels: “humanities”) (bv
literatuurwetenschappen, filosofie, godsdienstwetenschappen, geschiedenis)
▪ Studieobject is het geheel van culturele producten van de mens
▪ Karakteristieke benaderingswijze is hermeneutisch van aard, vandaar dat deze
wetenschappen ook wel gekenmerkt worden als hermeneutische
wetenschappen; het gaat er om het interpreteren van culturele fenomenen en
symbolische systemen: begrijpen (Verstehen), kwalitatief
▪ Interesse gaat uit naar constitutie (constitution)




2.1 WAAR BEVINDEN DE PEDAGOGISCHE WETENSCHAPPEN ZICH ?
Het onderscheid tussen verklaren (Erklären) en begrijpen (Verstehen) is hier een relevant onderscheid.
(We komen er later nog op terug.) Verklaren is maar mogelijk doordat oorzaken en gevolgen van elkaar
onderscheiden worden. Daarvoor is het nodig menselijk gedrag te onderzoeken in termen van
afhankelijke en onafhankelijke variabelen. Verklaren maakt voorspellen mogelijk. Wie kan verklaren dat
fenomeen X veroorzaakt wordt door gebeurtenis Y kan voorspellen dat, alle omstandigheden
gelijkblijvend, wanneer gebeurtenis Y zich voordoet fenomeen X zal optreden. De interesse gaat uit naar
oorzakelijkheidsverbanden (causaliteit).

Wetenschap wordt vandaag vaak vereenzelvigd met de mogelijkheid tot verklaren en voorspellen. In
zekere zin kunnen we stellen dat dergelijke wetenschap in staat stelt te “begrijpen”, namelijk naar de
modus van het voorspellen: begrijpen is dan de antecedens en consequens kunnen aangeven. Maar dit
verschilt van het begrijpen dat beoogd wordt in de interpretatieve benadering.

Begrijpen of Verstehen slaat op het verstaan van fenomenen in termen van de belevingen van de
betrokkenen [fenomenologisch], in termen van de betekenissen die de betrokkenen geven aan de situatie
waarin ze zich bevinden [hermeneutisch]. Hier wordt het handelen van de mensen niet gekoppeld aan
haar determinanten, maar aan de betekenissen die de betrokkenen er aan geven. (In die zin is de poging
om door middel van wetten het menselijk handelen te begrijpen tot mislukking gedoemd omdat er geen
verband met zingeving gelegd kan worden.) De interesse gaat uit naar constitutie tussen mens en wereld –
waarover hieronder meer.




2.2 INTERPRETATIEVE BENADERINGEN VAN KWALITATIEF -PEDAGOGISCH ONDERZOEK
Uiteraard is het zo dat menselijke wezens biologische wezens zijn die onderworpen zijn aan de
natuurwetten. Als biologische wezens zijn we onderworpen aan oorzaakgevolg relaties. We stellen
gedragingen die onderworpen zijn aan causale mechanismen. Daarnaast zijn mensen ook wezens die
betekenis geven: aan zichzelf, aan anderen, aan de wereld. We stellen handelingen die, al dan niet
bewust, door bepaalde redenen gedragen worden. In dit opleidingsonderdeel gaat de aandacht in eerste
instantie uit naar deze betekenis(gevende) dimensie. Uitgangspunt is daarbij dat de toegang tot de
(sociale) pedagogische werkelijkheid via taal verloopt en (dus) op verschillende manieren steeds een
interpretatie (of een begrijpen) impliceert.

,De betekenissen die we als mensen aan onszelf, het handelen van onszelf en anderen en aan de wereld
geven, komen niet uit het niets. Als mens worden we ook “betekend” door anderen en door de wereld (in
ruime zin). Dit wil zeggen, we worden door die wereld (omgeving, cultuur, context, praktijken …) op
fundamentele manier gevormd of: geconstitueerd. Filosofisch uitgedrukt is zingeving principieel
intersubjectief. Een menselijk bestaan wordt geconstitueerd door een web van betekenissen (de taal
waarmee iemand opgroeit) dat er reeds is vóór elk individueel bestaan. We groeien op in een bestaand
web van betekenissen, en dat web bepaalt mede de betekenis die we aan de werkelijkheid geven.
Eenvoudiger gezegd: de samenleving maakt (mee) wie (of wat) we zijn, wat we (kunnen, mogen) denken,
wat we (kunnen, mogen) voelen. (We gaan hier later uitvoerig op in wanneer we de betekenisfilosofie van
Ludwig Wittgenstein en de hermeneutiek van Hans-Georg Gadamer bespreken. Maar voor een eerste
aanzet hiertoe, zie verder hieronder, “De mens als talig wezen”.)

Dat betekent niet dat we door dat web van betekenissen gedetermineerd worden. Of nog: de
constituerende relatie is een tweerichtingsverkeer: als subject worden we gevormd door de wereld
(praktijken) waarin we leven, en tegelijk geven we als subject vorm aan die wereld. (Ook dit komt later in
de hoorcolleges nog aan bod wanneer we (onder meer) Heidegger, Wittgenstein, en Gadamer bespreken.)
Zoiets wordt door Packer (2018) ook gethematiseerd met het begrip “ontological complicity”
(ontologische medeplichtigheid). De verhouding subject-wereld moet niet gedacht worden als: subject
‘tegenover’ de wereld; een subject dat zich een (kennende) voorstelling maakt van de wereld. Die
verhouding moet gedacht worden als een verhouding van ontologische medeplichtigheid: het subject
participeert aan bepaalde wijzen van zijn, en wordt tegelijk door die manieren van zijn geconstitueerd.



In dit OPO houden we ons bezig dan ook bezig met vragen zoals de volgende:

- Wat is interpretatie? Wat is betekenis?
- Wanneer we in kwalitatief onderzoek zeggen dat we geïnteresseerd zijn in (bijvoorbeeld) de
‘beleefde ervaringen’ van leerkrachten of ouders, waar hebben we het dan over? Hoe ‘begrijpen’
we deze ervaringen (als dat al mogelijk is)? Wat zou het betekenen om deze ervaringen te
begrijpen? En hoe brengen we dat begrip dan over aan anderen, bijvoorbeeld de lezers van ons
onderzoek? Wat voor soort begrip hebben we aan deze lezers overgebracht? Hebben zij nu
‘toegang’ tot de ervaringen van deze leerkrachten of ouders? Hebben zij een begrip van deze
ervaringen dat vergelijkbaar is met (of misschien hetzelfde als) het onze (dat wil zeggen met het
begrip van degenen die het onderzoek hebben uitgevoerd)?
- Wanneer we in kwalitatief onderzoek zeggen dat we geïnteresseerd zijn in de betekenissen die
(bijvoorbeeld) leraren geven aan hun rol als leraar, of aan deze of die verandering in hun praktijk,
of in de betekenissen die (bijvoorbeeld) ouders geven aan het gebruik van zoiets als Smartschool,
enz., waar hebben we het dan over? Hoe ‘begrijpen’ we deze betekenissen (als dat al mogelijk
is)? Wat zou het betekenen om deze betekenissen te begrijpen? En hoe brengen we dat begrip
dan over aan anderen, bijvoorbeeld de lezers van ons onderzoek? Wat voor soort begrip hebben
we aan deze lezers overgebracht? Hebben zij nu ‘toegang’ tot deze betekenissen van leraren?
Hebben zij een begrip van deze betekenissen dat vergelijkbaar is met het onze (dat wil zeggen met
het begrip van degenen die het onderzoek hebben uitgevoerd)?
- Wat zijn ‘data’ van kwalitatief onderzoek? In hoeverre zijn deze ‘data’ ‘gevonden’ dan wel
‘geconstrueerd’? Wat betekent het om kwalitatieve ‘data’ te analyseren?
- Welke plaats/rol/impact heeft de onderzoeker in kwalitatief onderzoek? Hoe moeten we de
subjectiviteit van de onderzoeker begrijpen in het proces van onderzoek doen?
- Wat is, indien dat er al is, het verschil tussen beschrijving en interpretatie in kwalitatief
onderzoek?

, - Hoe moeten we de zogenaamde ‘objectiviteit’ van kwalitatief onderzoek begrijpen, en de
geldigheid, betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid ervan? In hoeverre is kwalitatief onderzoek
‘subjectief’, ‘relatief ten opzichte van de positie van de onderzoeker’, ‘beperkt’ tot het
‘perspectief’ van de onderzoeker?
- Wat is de aard van ‘schrijven’ bij het opstellen van een onderzoeksrapport? Hoe moeten we onze
onderzoeksrapporten begrijpen? Zijn dit ‘representaties’ van (bijvoorbeeld) de beleefde
ervaringen en betekenissen van leraren? Of ‘interpretaties’?
- Hoe brengen we ‘constitutie’ in beeld? Hoe ‘representeren’ we de ‘ontologische
medeplichtigheid’ van de respondenten of participanten?
- Welke betekenis heeft kwalitatief onderzoek voor de betrokken in het onderzoek? Is het louter
informatief? Of misschien (ook) emancipatorisch?



We zullen op deze en andere vragen niet op een abstracte manier ingaan, maar bespreken de relevante
concepten en kwesties in relatie tot twee veelgebruikte methoden: het kwalitatieve onderzoeksinterview
en (etnografische) observaties. De keuze om te focussen op deze twee onderzoeksmethoden impliceert
niet dat dit de ‘beste’ methoden zouden zijn om te gebruiken, laat staan de enige. Er zijn er natuurlijk veel
meer. (Zie daarvoor het opleidingsonderdeel dat de kwalitatieve onderzoeksmethoden bespreekt.) Hier
richten we ons alleen op deze twee methoden (1) omdat dit simpelweg de meest gebruikte methoden in
zijn in kwalitatief onderzoek, maar (2) vooral omdat ze een cruciaal aspect inhouden van waar het in
interpretatieve benaderingen om gaat, m.n. dat de onderzoeker zich op een of andere manier tot tekst en
taal moet verhouden.

- kwalitatief onderzoeksinterview: met elkaar praten (vragen en antwoorden); het interview
opnemen en transcriberen; analyse; het uitschrijven van de onderzoeksbevindingen
- (etnografische) observaties: aantekeningen (fieldnotes) maken, opschrijven wat men ziet;
analyse; uitschrijven van het onderzoeksrapport (‘bevindingen’)




DE MENS ALS TALIG WEZEN: BIJ WIJZE VAN INLEIDING (EN SMAAKMAKER)
Als we willen dat ons kwalitatief onderzoek relevant (betekenisvol, inzichtelijk) is, is een goed begrip nodig
van hoe we ons als onderzoekers ten opzichte van tekst en taal verhouden. Bij wijze van korte initiatie in
deze problematiek maak ik in dit stuk van de inleiding gebruik van twee stukken tekst van Caroline
Culbertson (m.b. 2019 en 2021). In deze korte stukken gaat het onder meer om de volgende vragen en
kwesties: Wat betekent het dat mensen ‘talige wezens’ zijn? Wat is onze menselijke verhouding tot taal
(en dus tot tekst)? Wat betekent het om (als mens) een ‘leven in taal’ te leven?



CULBERTSON – WORDS UNDERWAY

1. De centrale vraag: wat maakt taal menselijk?

• Aristoteles: mens = zōon logon echon → het talige dier.

• Moderne scepsis: dieren en computers lijken ook te kunnen “communiceren”.

• Probleem: taal reduceren tot signaal + reactie (bv. hond gaat zitten op commando) doet geen
recht aan het menselijke gebruik van taal.

Documentinformatie

Geüpload op
3 oktober 2026
Aantal pagina's
49
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€6,96

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
3
Volgers
0
Items
7
Laatst verkocht
1 week geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen