• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 125 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Strafprocesrecht | Deel IV - professor Meese - 16/20 behaald!!

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 125 pagina's

Samenvatting Strafprocesrecht | Deel IV - professor Meese - 16/20 behaald!! Samenvatting van het vierde deel van strafprocesrecht zoals gedoceerd door professor Meese in academiejaar 2024-25. Het is een combinatie van lesnotities, de slides en een verwerking van het boek. Ik heb hiermee een 16/20 behaald op het examen.

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting Strafprocesrecht – Het Vooronderzoek In Strafzaken:

IV. Het Vooronderzoek In Strafzaken:

1. Wijze waarop het onderzoek gevoerd wordt:

Opsporingsonderzoek en gerechtelijk onderzoek:

Het onderzoek in strafzaken verloopt in twee fasen: het onderzoek vóór de terecht- zitting, ook
vooronderzoek of voorlopig onderzoek genoemd, en het onderzoek ten gronde, of nog het onderzoek
ter terechtzitting. Het vooronderzoek is de onderzoeks- fase waarin wordt onderzocht of er
voldoende bezwaren zijn om de verdachte voor het vonnisgerecht te brengen, om te komen tot een
beslissing over de grond van de zaak. In deze onderzoeksfase wordt niet beslist over de vraag of de
feiten bewezen zijn, maar enkel over de vraag of tegen de verdachte voldoende bezwaren zijn
gevonden, die een behandeling van de zaak voor het vonnisgerecht kunnen verantwoorden. De
voornaamste verrichtingen in het vooronderzoek zijn dan ook het verzamelen van bewijsmateriaal
m.b.t. misdrijven en hun vermoedelijke daders. Het is enkel in zo- verre het vooronderzoek voldoende
bezwaren tegen een bepaald persoon heeft op- geleverd dat zal worden overgegaan tot de tweede
onderzoeksfase, het onderzoek ter terechtzitting.

Het vooronderzoek kan volgens twee scenario's verlopen: ofwel wordt het gevoerd door de
procureur des Konings, ofwel door de onderzoeksrechter. In het eerste geval spreekt men van een
opsporingsonderzoek, in het tweede van een gerechtelijk onder- zoek. Het opsporingsonderzoek kan
zowel proactief als reactief zijn. Een gerechtelijk onderzoek is echter uitsluitend reactief.

Van deze twee mogelijke scenario's is het opsporingsonderzoek de regel, het gerechtelijk onderzoek
de uitzondering. Met de invoering van de zgn. mini-instructie dreigt het aantal gerechtelijke
onderzoeken nog af te nemen: sinds 1998 heeft de procureur des Konings in bepaalde gevallen de
mogelijkheid dwangbevelen van de onderzoeksrechter te vorderen zonder hem echter met het
gehele onderzoek te belasten (art. 28 septies Sv.).

In België, zoals in de meeste landen van de continentale rechtstraditie, gebeurt de opsporing van
misdrijven en het verzamelen van bewijsmateriaal door de overheid, met name door het openbaar
ministerie, de onderzoeksrechter en de politie. Het slachtoffer, noch de verdachte hebben hierbij een
rol te spelen. De verdachte hoeft trouwens niets te bewijzen: zijn onschuld wordt vermoed totdat het
tegenbewijs is geleverd. Het openbaar ministerie en de onderzoeksrechter hebben tot taak de
waarheid te onder- zoeken. Dit betekent dat zowel naar bewijzen à charge als naar bewijzen à
décharge moet worden gezocht. Deze plicht tot objectiviteit vloeit voort uit het beginsel van loyauteit
(art. 28bis en 56, § 1 Sv.). De vrees van de verdachte dat de onderzoekende magistraat, een
politieambtenaar of een fiscaal ambtenaar gedetacheerd bij het parket alleen maar à charge zou
onderzoeken moet steunen op objectieve redenen. Een schijn van partijdigheid volstaat dus niet om
de opsporing in strijd te achten met art. 6 EVRM.

In landen waar het strafproces als een proces tussen partijen wordt beschouwd, en de vervolgende
partij enkel naar bewijzen à charge zoekt, is voor de verdediging wel een rol weggelegd, doordat zij
zelf de bewijzen à décharge moet trachten te verzamelen. Vandaar dat in die landen het gebruik van
privédetectives is ingeburgerd, veel meer dan in België. De Belgische wet op de privédetectives
verbiedt deze laatsten uitdrukkelijk zich met bepaalde aan de overheid voorbehouden
opsporingshandelingen bezig te houden. Het Hof van Cassatie aanvaardt echter dat de burgerlijke
partij tijdens het gerechtelijk onderzoek privédetectives mag inschakelen om aan de onderzoeks-
rechter informatie te bezorgen die relevant is voor de burgerlijke vordering.




1

, De wet geeft aan verdachte en slachtoffer niet het recht zelfstandige opsporingen te (laten)
verrichten tijdens het vooronderzoek. Toch hebben zij een beperkte sturingsmogelijkheid in de
gevallen waarin het onderzoek door de onderzoeksrechter wordt gevoerd (gerechtelijk onderzoek).
De inverdenkinggestelde verdachte en de burgerlijke partij hebben het recht bijkomende
onderzoeksdaden te vorderen van de onderzoeksrechter (art. 61quinquies Sv.). De onderzoeksrechter
is weliswaar niet verplicht op dit verzoek in te gaan, maar bij weigering kan hoger beroep worden
aangetekend bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Hierdoor kunnen zij het verloop van het
gerechtelijk onderzoek in beperkte mate mee bepalen.

Wijze waarop misdrijven ter kennis komen van de overheid:

De spilfiguur in het vooronderzoek is de procureur des Konings: hij beslist of er een onderzoek zal
worden gevoerd, of er al dan niet zal worden vervolgd (seponeren is immers steeds mogelijk, en welk
van de twee scenario's (opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek) zal worden gevolgd. Daarom
vereist de wet dat alle misdrijven die ter kennis komen van de overheid, onmiddellijk aan de
procureur des Konings zouden worden medegedeeld (art. 29 Sv. en art. 40 Wet Politieambt). Het is de
procureur des Konings die dan verder beslist welk gevolg hieraan zal worden gegeven.

Klachten, aangiften en ambtelijke vaststellingen:

Opdat het onderzoek in strafzaken zou kunnen starten is vereist dat het misdrijf ter kennis komt van
de overheid. Lang niet alle misdrijven worden ter kennis van de overheid gebracht. Het slachtoffer is
niet altijd bereid het misdrijf aan te geven. Hier- voor kunnen verschillende redenen zijn, bv. de vrees
met de dader te zullen worden geconfronteerd (bv. in verkrachtingszaken) of de dader te
compromitteren (bv. bij zedenzaken binnen de familie). Ook kan het zijn dat slachtoffers represailles
vrezen, wat vaak een probleem is bij georganiseerde criminaliteit. Ten slotte zijn er veel misdrijven
zonder rechtstreeks slachtoffer (crimes without a victim) en misdrijven die niet via klacht of aangifte
aan het licht worden gebracht. Voorbeelden hiervan zijn milieu- misdrijven, handel in verboden
voorwerpen (drugs, wapens, nucleair materiaal, kinderporno, gestolen kunstschatten) of in personen
(illegalen, vrouwen en kinderen). Een misdrijf kan op drie wijzen ter kennis van de overheid worden
gebracht: door klacht, door aangifte of door de zgn. 'ambtelijke aangifte’.

Klacht:

De klacht is de kennisgeving van het misdrijf door de benadeelde zelf. Op zichzelf brengt de klacht de
strafvordering niet op gang, enkel de zgn. klacht met burgerlijke partijstelling voor de
onderzoeksrechter heeft dit gevolg (zie art. 63 Sv.). Een gewone klacht kan immers steeds door het
parket worden geseponeerd.

Wanneer de benadeelde op het secretariaat van het parket, op het politiesecretariaat of bij de
verbaliserende politieambtenaar aangeeft schade te hebben geleden ten gevolge van een misdrijf,
verkrijgt hij het statuut van benadeelde persoon. Hierdoor zal hij bepaalde rechten genieten,
waaronder het recht te worden ingelicht over het verder verloop van de zaak (sepot, gerechtelijk
onderzoek, dagvaarding voor het vonnisgerecht, enz.) en het recht om inzage in het dossier te
verzoeken. Deze rechten zijn opgenomen in art. 5bis V.T. Sv.

In bepaalde gevallen is de instelling van de straf- vordering door het openbaar ministerie afhankelijk
gesteld van een voorafgaandelijke klacht van het slachtoffer (art. 2 V.T. Sv.). De aangifte van het
misdrijf is nog geen klacht. Klachtmisdrijven veronderstellen dat de benadeelde op ondubbelzinnige
wijze aan de overheid vraagt een strafvervolging in te stellen.



2

, Meestal zijn er vaststellingen door de overheid zelf of meldingen door particulieren zelf (als
benadeelde of als gewone particulier: klacht als benadeelde of aangifte als gewone particulier)

De aangifte door particulieren:

De aangifte is de kennisgeving van een strafbaar feit aan de overheid door een persoon die kennis
heeft van een misdrijf. In bepaalde gevallen is de aangifte verplicht: als men getuige is geweest van
een aanslag tegen de openbare veiligheid of van een aanslag op iemands leven of eigendom moet
men het misdrijf aangeven (art. 30 Sv.). Een sanctie op de overtreding van deze regel is echter niet
bepaald.

De ambtelijke aangifte:

Algemeen principe:

Art. 29, § 1 Sv. bepaalt:
‘ledere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar en voor de sector van de gezinsbijslagen, iedere
meewerkende instelling in de zin van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal
verzekerde die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, is verplicht
daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die
misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle
desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen'.

Dit artikel verplicht iedere ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een
misdaad of een wanbedrijf dit te melden aan de procureur des Konings. In tegenstelling tot de
gewone aangifte door particulieren noemt men dit de ambtelijke aangifte. De verplichting tot
ambtelijke aangifte slaat zowel op de misdrijven die ambtenaren persoonlijk hebben vastgesteld, als
op de misdrijven die hen door de benadeelde (klacht) of door een derde (aangifte) zijn ter kennis
gebracht (art. 53-54 Sv. en art. 15, eerste lid, 1° en 40 Wet op het politieambt.).

Net zoals in het geval van de aangifte door particulieren (art. 30 Sv.) is op de niet- naleving van de
plicht tot ambtelijke aangifte (art. 29 Sv.) geen sanctie gesteld. Enkel officieren van gerechtelijke
politie staan in dit verband onder het disciplinair toezicht van de procureur-generaal (art. 367, eerste
lid Sv. en art. 148, tweede lid Ger. W.). Uitzonderlijk maakt de niet-aangifte van een misdrijf door een
openbaar ambtenaar op zichzelf een misdrijf uit (zie bv. art. 156 en 247 Sw.).

De algemene verplichting tot ambtelijke aangifte sluit uit dat opsporingsambtenaren misdrijven
zouden seponeren: zij zijn steeds verplicht de misdrijven (althans wanbedrijven en misdaden) die zij
vaststellen of die hun ter kennis worden gebracht mee te delen aan het parket. De beslissing over het
gevolg dat dient te worden verbonden aan de vaststellingen van de politie is immers het monopolie
van de procureur des Konings. Indien de politie bij de vaststelling van misdrijven een selectie zou
door- voeren, en niet alle misdrijven aan het parket zou meedelen, dan zou het monopolie van het
openbaar ministerie worden doorkruist.

De verplichting om de procureur des Konings in te lichten is echter noch substantieel, noch op straffe
van nietigheid voorgeschreven. Een politieambtenaar die inlichtingen heeft gekregen over een reeds
gepleegd misdrijf mag bovendien autonoom inlichtingen inwinnen en vaststellingen doen over dit
misdrijf, alvorens de procureur via proces-verbaal in kennis te stellen, om alzo de procureur op
doelmatige wijze te kunnen inlichten. Immers verplicht geen bepaling de politieambtenaar om van
elke inlichting onmiddellijk proces-verbaal op te stellen.




3

, Aangifte door een ambtenaar (bijv. politieambtenaar). Wanneer de politie een misdrijf vaststelt,
moeten ze daarvan aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Want het Openbaar Ministerie is
bevoegd om te beslissen of ze daarmee iets zullen doen (uitoefening van de
opportuniteitsbeoordeling). Politie moet dan ook een proces-verbaal opstellen. Aanvankelijk proces-
verbaal opstellen en overmaken aan het Openbaar Ministerie. Men is verplicht dit te doen als
ambtenaar (verplicht aangifte doen aan Openbaar Ministerie, die moet beoordeling opportuniteit
kunnen doen). Particulieren moeten dit ook doen in bepaalde omstandigheden (artikel 30 Sv.  maar
niet strafbaar gesteld, dus een doelloze verplichting, het is een loutere aanmoediging).

Proces-verbaal en strafdossier:

Proces-verbaal:

Van klachten, aangiften en eigen ambtelijke vaststellingen wordt een geschrift opgemaakt, dat aan
het parket wordt overgemaakt (art. 53 Sv. en art. 40 Wet Politieambt). Dit geschrift wordt proces-
verbaal genoemd. Het is een geschrift waarin de verbalisant alle nuttige inlichtingen i.v.m. het misdrijf
opneemt. In dit geschrift noteert hij wat hijzelf heeft gezien, gehoord of vernomen i.v.m. een bepaald
misdrijf. Behalve m.b.t. het verhoor van verdachten en getuigen (art. 47bis Sv.) is de wijze waarop
processen-verbaal moeten worden opgesteld niet uitdrukkelijk geregeld in de wet.

In principe is een proces-verbaal enkel authentiek naar de vorm, niet naar de inhoud. Dit betekent
dat het principieel geen sterkere bewijswaarde heeft dan de andere bewijzen die aan de rechter
worden voorgelegd. Het openbaar ministerie moet dus nog steeds het bewijs leveren van de inhoud
van het proces-verbaal. Sommige processen- verbaal hebben echter een bijzondere bewijswaarde,
m.n. de processen-verbaal die gelden tot tegenbewijs.

Omdat de wet aan processen-verbaal vaak een bijzondere bewijswaarde verbindt, is niet iedereen
gerechtigd proces-verbaal op te maken. In principe zijn enkel die personen daartoe gerechtigd die
door de wet bekleed zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie. Hieraan wordt de
laatste jaren meer en meer afbreuk gedaan: steeds vaker verleent de wet de bevoegdheid tot het
opstellen van proces-verbaal aan personen die niet bekleed zijn met de hoedanigheid van officier van
gerechtelijke politie.

Strafdossiers:

Het eerste proces-verbaal van waaruit het onderzoek start wordt aanvankelijk proces-verbaal
genoemd. Van alle daaropvolgende onderzoeksverrichtingen die in de loop van het verdere
vooronderzoek (opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek) worden gedaan, wordt eveneens
een proces-verbaal opgesteld. De navolgende processen-verbaal worden gebundeld in het
strafdossier. Dit zal na de afsluiting van het vooronderzoek als basis dienen voor de behandeling van
de zaak ter terechtzitting. In principe worden processen-verbaal onmiddellijk bij het strafdossier
gevoegd. Voor sommige onderzoeksverrichtingen, zoals bv. de afluistering van privé-communicatie,
de observatie of de infiltratie, is dit pas na het beëindigen van de maatregel (art. 90sexies laatste lid,
resp. art. 47septies in fine en 47 novies in fine Sv.).




4

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
2 oktober 2026
Aantal pagina's
125
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting
€3,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
2
Volgers
0
Items
26
Laatst verkocht
5 dagen geleden




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen