• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 43 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Strafprocesrecht | Deel I - professor Meese - 16/20 behaald!!

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 43 pagina's

Samenvatting Strafprocesrecht | Deel I - professor Meese - 16/20 behaald!! Samenvatting van het eerste deel van strafprocesrecht zoals gedoceerd door professor Meese in academiejaar 2024-25. Het is een combinatie van lesnotities, de slides en een verwerking van het boek. Ik heb hiermee een 16/20 behaald op het examen.

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting Strafprocesrecht – Algemene Beginselen Strafprocesrecht:

I. Algemene Beginselen Strafprocesrecht:

1. Definitie:

Begrip:

Het strafprocesrecht is het geheel van rechtsregels betreffende de opsporing, vervolging en
berechting van personen die ervan worden verdacht een misdrijf te hebben gepleegd. Het beschrijft
de scenario's en vormvoorschriften die hierbij moeten worden gevolgd en bepaalt de rechtspositie
van de verschillende personen die erbij betrokken zijn. Behoren tevens tot het strafprocesrecht: de
regels betreffende de organisatie en werking van de strafgerechten en de regels betreffende de
tenuitvoerlegging van de beslissingen van deze gerechten.

Voor de bronnen van het strafprocesrecht wordt verwezen naar het overzicht dat hoger werd
gegeven: Wetboek van Strafvordering, Gerechtelijk Wetboek, Wet op de voorlopige hechtenis en
EVRM.

In het strafprocesrecht wordt het materieel strafrecht gerealiseerd: dit laatste bestaat immers niet
zonder het strafprocesrecht, aangezien de praktische toepassing van het materieel strafrecht, nl. de
berechting en de eventuele bestraffing van de dader(s) van een misdrijf, slechts via het
strafprocesrecht kan worden bewerkstelligd.

Voor de term strafprocesrecht worden de synoniemen formeel strafrecht, strafrechtspleging en
strafvordering gebruikt. Het wetboek wordt aangeduid met de naam Wet- boek van Strafvordering.
Deze laatste term is echter misleidend omdat hij ook in een andere betekenis wordt gebruikt, nl. de
vordering tot toepassing van de strafwet.

Onderscheid tussen materieel en formeel strafrecht:

Het onderscheid tussen de regels van het materieel en het formeel strafrecht heeft betrekking op de
personen tot wie deze regels gericht zijn, op hun inhoud, en op de sancties als zij worden
geschonden.

Personen tot wie de regels gericht zijn:

De regels van het materieel strafrecht zijn tot de gehele bevolking gericht, burgers én overheid
inbegrepen. De regels van het strafprocesrecht daarentegen richten zich in de eerste plaats tot de
overheid, m.a.w. tot de personen die met de toepassing van het strafprocesrecht belast zijn, m.n. de
politie, en de staande en zittende magistratuur. Dit heeft te maken met het inquisitoir karakter van
het strafprocesrecht: het strafproces wordt in de eerste plaats beschouwd als een proces tussen de
gemeenschap (vertegenwoordigd door het openbaar ministerie) en de verdachte, eerder dan als een
proces tussen partijen (slachtoffer versus verdachte, of 'staat' versus verdachte).

Het is slechts uitzonderlijk dat de gewone burger met de regels van het strafprocesrecht te maken zal
krijgen, m.n. als hijzelf verdacht wordt als (mede)dader van een misdrijf of wanneer hij als getuige in
een strafzaak optreedt, of nog wanneer tegen hem een strafrechtelijke dwangmaatregel, bv. een
huiszoeking of een telefoontap, wordt uitgevoerd.

Inhoud van deze regels:

Inhoudelijk vallen de regels van het materieel strafrecht op door hun 'vanzelfsprekendheid': dat men
niet mag doden, slaan of stelen en dat poging of deelneming aan deze daden op enigerlei wijze moet



1

, kunnen worden bestraft komt immers als vrij vanzelfsprekend voor. De verklaring hiervoor is dat het
materieel strafrecht een reeks fundamentele waarden beschermt.

Rechtsfiguren als rechtvaardigingsgronden, schulduitsluitingsgronden, verzachtende omstandigheden
en verschoningsgronden spreken eveneens voor zich omdat zij in ruime mate het algemeen
rechtsgevoel juridisch vertolken.

De regels van het strafprocesrecht hebben niet deze vanzelfsprekendheid: dat getuigen ter
terechtzitting moeten worden beëdigd, dat de strafvordering verjaart na verloop van een zekere
tijdspanne of dat de huiszoeking in principe nooit 's nachts kan worden uitgevoerd is, op zichzelf, niet
evident. In het strafprocesrecht gaat het om 'spelregels' die, anders dan in het materiële strafrecht,
niet aan intrinsieke waarden gekoppeld zijn. De waarden die door de regels van het strafprocesrecht
worden beschermd vinden, anders dan in het materiële strafrecht, niet hun oorsprong in de
bescherming van algemene rechtsgoederen zoals het leven, de eigendom, de fysieke integriteit, enz.
Het zijn spelregels waarover gediscussieerd kan worden. Vaak berusten deze regels op het onderling
afwegen van verschillende belangen (waarheidsvinding, grondrechten waaronder de rechten van de
verdediging), waardoor de inhoud vaak 'diffuus' is en makkelijker voor verandering vatbaardig is.

Sanctionering van schendingen:

De sanctionering van schending van regels van het materieel strafrecht is, als algemeen principe, vrij
eenvoudig: op elk misdrijf staat een straf, en schending van de norm brengt met zich dat de dader
zich aan bestraffing blootstelt. In het strafprocesrecht daarentegen wordt de niet-naleving of de
schending van de processuele normen op een andere wijze gesanctioneerd. Van een straf in de
materieelrechtelijke betekenis van vrijwillige 'leedtoevoeging' aan de dader is hier geen sprake.

Wat echter precies de processuele sanctie is, verschilt naargelang de norm en is niet steeds op
voorhand in de wet bepaald.

 In sommige gevallen heeft de schending van de processuele norm de nietigheid van de
proceshandeling of zelfs van de hele procedure tot gevolg. Zo is bv. een niet- gedagtekende
dagvaarding nietig. Als deze nietigheid niet tijdig is opgeworpen en pas blijkt wanneer de
procedure zich al in een vergevorderd stadium bevindt, dan is heel de procedure nietig.
 Soms heeft de overtreding gevolgen op het niveau van de bewijsvoering. Zo mag de rechter
in sommige gevallen geen acht slaan op een onrechtmatig verkregen bewijs- stuk (bv. een
bekentenis die werd verkregen met miskenning van de rechten van de verdediging), ook al
beantwoordt dit bewijs inhoudelijk aan de waarheid. Niet alle onrechtmatig verkregen
bewijsstukken worden echter uitgesloten (art. 32 V.T. Sv.).
 Niet-naleving van bepaalde procedureregels heeft soms de onontvankelijkheid van de
strafvordering of het verval van de strafvordering tot gevolg. Zo zal, wanneer het openbaar
ministerie er niet in slaagt heel het strafproces binnen de verjaringstermijn te doen
afwikkelen, de strafvordering, na verloop van de verjaringstermijn, vervallen zijn. Dit verval
sanctioneert het 'stilzitten' van het parket. Een ander voorbeeld is art. 30 V.T. Sv., dat
politionele provocatie sanctioneert met de onontvankelijkheid van de strafvordering.
o Verval en onontvankelijkheid? Bij onontvankelijkheid kan je je daar nooit of op dat
moment over uitspreken als rechter bijv. onherstelbare schending van het recht op
een eerlijk proces zoals foltering maar andere schendingen van het recht op een
eerlijk proces zou je mogelijks wel kunnen herstellen in een latere fase zoals verhoor
zonder bijstand en dan verhoor gewoon laten weren uit de debatten. Bij verval van
de strafvordering was oorspronkelijk ontvankelijk maar is komen te vervallen door
bijv. verjaring en dan kan men de strafvordering niet meer uitvoeren.


2

,  In vele gevallen wordt de niet-naleving van bepaalde procedurevoorschriften helemaal niet
gesanctioneerd, doordat het Hof van Cassatie vandaag met toepassing van art. 32 V.T. Sv. -
oordeelt dat de betrokken voorschriften niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven.
 De sanctionering van de niet-naleving van processuele voorschriften kan soms onzeker zijn.
Zo bestond lange tijd onzekerheid over het gevolg dat moest worden vastgeknoopt aan de
overschrijding van de 'redelijke termijn' van art. 6 EVRM, krachtens welk eenieder recht heeft
op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. In 1997
aanvaardde het Hof van Cassatie dat bij overschrijding van de redelijke termijn een
strafvermindering of een eenvoudige schuldigverklaring kan worden uitgesproken. Deze
rechtspraak werd in 2000 gecodificeerd in art. 21ter V.T. Sv. Is door vertragingen het recht op
tegenspraak ernstig en onherstelbaar worden aangetast, dan kan de beklaagde van
rechtsvervolging worden ontslaan.

Andere voorbeelden van 'onzekere' procedureregels zijn sommige nieuwe
procedurevoorschriften. Zo is de onderzoeksrechter verplicht de persoon t.a.v. wie ernstige
aanwijzingen van schuld bestaan formeel in verdenking te stellen (art. 61bis Sv.). De wet
bepaalt echter niet wat er gebeurt als de onderzoeksrechter nalaat de verdachte in
verdenking te stellen. Volgens de rechtspraak brengt de afwezigheid of de laattijdigheid van
een inverdenkingstelling op zich geen nietigheid of onherstelbare miskenning van het recht
op een eerlijk proces mee.

Doelstellingen van het strafproces:

In het strafproces staan verschillende belangen tegenover elkaar: het belang van de gemeenschap
(bestraffing van de criminaliteit), dat van het slachtoffer (schadevergoeding), en dat van de verdachte
(eerlijk proces). Hoewel het strafproces in principe de ontdekking van de waarheid tot doel heeft,
mag deze waarheidsvinding echter niet tot stand komen met miskenning van de individuele
grondrechten. Hierdoor heer niet Strafprocesrecht een dubbele finaliteit: enerzijds de
waarheidsvinding, anderzijds de bescherming van de individuele grondrechten. Het is de taak van het
strafprocesrecht deze, vaak tegenstrijdige belangen met elkaar te verzoenen.

Waarheidsvinding:

Het strafrecht maakt deel uit van het publiek recht: het conflict dat ontstaat ten gevolge van het
plegen van een strafbaar feit wordt gezien als een conflict tussen de gemeenschap en de dader, niet
als een conflict tussen dader en slachtoffer. De finaliteit van het strafproces en de wijze waarop het
strafprocesrecht is geconstrueerd houden hiermee rechtstreeks verband. De taak van de advocaat
van de verdachte in de strafprocedure bestaat er dan ook voornamelijk in erop toe te zien dat deze
regels in de praktijk worden gerespecteerd.

Dit verklaart waarom de invalshoek van waaruit deze regels zijn opgesteld voornamelijk die van het
openbaar belang is. Het strafproces in zijn geheel (opsporing en vervolging van misdrijven, berechting
van de daders) heeft, vanuit dit perspectief, als voornaamste doel de waarheidsvinding.

Bescherming van de individuelen

Vanuit de optiek van de individuele burger heeft het strafprocesrecht echter ook een andere,
evenzeer belangrijke functie. Deze staat vaak diametraal tegenover de finaliteit van de
waarheidsvinding, nl. de eerbied voor de individuele grondrechten. Niet enkel ten voordele van de
verdachte, maar te voordele van eenieder.




3

, In het kader van de waarheidsvinding worden aan de overheid immers belangrijke bevoegdheden
toegekend die een verregaande beperking van bepaalde grondrechten kunnen inhouden (bv.
schending van de privacy (huiszoeking, observatie met technische hulpmiddelen (bv. verborgen
camera's, infrarood camera's), het gebruik van infiltranten, inkijkoperaties), schending van het
briefgeheim, van het telefoongeheim en van het eigendomsrecht (inbeslagneming)). Deze
bevoegdheden bestaan niet enkel t.a.v. personen die ervan verdacht worden een misdrijf te hebben
gepleegd, maar ook t.a.v. derden. Omdat elke burger hiermee potentieel kan worden geconfronteerd
is het hier beschermde belang ruimer dan de loutere 'rechten van de verdediging' in strafzaken, nl. de
rechten die specifiek gelden t.a.v. de persoon die vervolgd wordt wegens een misdrijf.

Wanneer een persoon vervolgd wordt wegens een misdrijf, geniet hij van een complex van
grondrechten dat onder de verzamelnaam 'rechten van de verdediging' wordt aangeduid.

Onderlinge afweging van waarheidsvinding en individuele grondrechten:

Ten tijde van de opstelling van het Wetboek van Strafvordering stond de finaliteit van de
waarheidsvinding als doel van het strafprocesrecht centraal. Het is pas sinds het tot stand komen van
het EVRM dat de bescherming van de individuele grondrechten een zelfstandig doel van het
strafprocesrecht is geworden.

De integratie in het strafprocesrecht van de grondrechten in het algemeen en de rechten van de
verdediging in het bijzonder, is van vrij recente datum. Het concept kwam als dusdanig niet voor in
het oorspronkelijke Wetboek van Strafvordering. De Wet Franchimont heeft hierin verandering
gebracht doordat een reeks verdedigings- rechten nu uitdrukkelijk zijn bepaald m.b.t. het gerechtelijk
onderzoek. Toch voorzag de Grondwet van 1830 al in een reeks grondrechten die rechtstreeks
relevant zijn voor het strafprocesrecht (zie bv. de art. 12, 13, 14, 15 en 29 Gw.).

De voornaamste waarborg was hierbij het wettelijk karakter van het overheidsoptreden. Dit hield in
dat de beperking van grondrechten steeds op wettelijke basis moest berusten en dat het
overheidsoptreden tegen de burger door deze wettelijke bepalingen was gebonden. Het
legaliteitsbeginsel in zijn procedurele betekenis vereist immers dat een strafvorderlijk
overheidsoptreden slechts kan plaats vinden op grond van een wet en in de vormen door de wet
bepaald. Deze gedachte wordt vertolkt door art. 12, tweede lid van de Grondwet, luidens welk
vervolging slechts kan plaats vinden in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij
voorschrijft. Hierdoor wordt verwezen naar de procedureregels in het Wetboek van Strafvordering en
de aanvullende en complementaire wetten. Ook dwangbevelen worden aan de wet onderworpen: zo
kan geen huiszoeking plaatsvinden dan in de gevallen en in de vorm door de wet bepaald (art. 15
Gw.), is het briefgeheim onschendbaar (art. 29 Gw.) en kan de privacy enkel worden beperkt in de
gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald (art. 22 Gw.).

Inhoudelijke vereisten werden hierbij echter niet gesteld: het was voldoende dat het
overheidsoptreden op wettelijke basis berustte, opdat het rechtmatig zou zijn. Het EVRM heeft hierin
verandering gebracht: het volstaat vandaag niet meer dat het overheidsoptreden op wettelijke basis
berust, bovendien moet, in vele gevallen, de wet zekere voorwaarden vervullen opdat de inbreuk op
individuele grondrechten zou geoorloofd zijn.




4

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
2 oktober 2026
Aantal pagina's
43
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting
€3,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
2
Volgers
0
Items
26
Laatst verkocht
5 dagen geleden




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen