1. Een koe met mastitis kan herkend worden aan de volgende kenmerken:
A. Ze ligt meer en ze eet meer
B. Ze ligt meer en ze eet minder
C. Ze ligt minder en ze eet meer
D. Ze ligt minder en ze eet minder
2. Welke stelling is juist over het verschil in zicht tussen paard en kip?
A. De kip is trichromaat en het paard dichromaat
B. De kip heeft geen tapetum lucidum en het paard wel
C. De kip heeft een dubbel brandpunt, het paard een enkel
3. Welke stelling(en) is/zijn juist?
A. Een kat krabt om zijn nagels te scherpen
B. Een kat krabt om de randen van zijn territorium aan te duiden
C. Een kat krabt om zijn comfort zone aan te geven
4. Welke stelling(en) is/zijn juist?
• Seizoensgebonden eetlust is afhankelijk van de concentratie melatonine.
• Seizoensgebonden eetlust is afhankelijk van de concentratie prolactine.
A. Alleen 1 is waar
B. Alleen 2 is waar
C. Allebei waar
D. Allebei fout
5. Welke stelling(en) is/zijn juist?
• Feromonen kunnen een inhiberend effect hebben.
• Alle secreten van dieren bevatten feromonen.
A. Alleen 1 is waar
B. Alleen 2 is waar
C. Allebei waar
D. Allebei fout
1
, 6. Welke stelling over sproeien bij katten klopt:
A. Alleen intacte katers en geholpen katers sproeien
B. Alleen intacte katers en intacte kattinnen in oestrus sproeien
C. Intacte en geholpen katers en kattinnen sproeien
7. Foto van een man in een biggenstal, biggen staan op flinke afstand van hem
in een cirkel om hem heen. Wat klopt er over deze biggen?
A. De biggen hebben genoeg licht
B. De biggen kunnen geen en een andere kleur niet onderscheiden
C. De biggen hebben te weinig verrijking gehad als jonge dieren
D. De biggen zijn bang voor de man
8. Foto van twee katten die samen liggen. Welk soort relatie is dit?
A. Katten uit eenzelfde nest
B. Katten uit hetzelfde huishouden
C. Katten uit dezelfde sociale groep
D. Katten die elkaar niet kennen
9. Wat is waar over habituatie en extinctie?
A. Bij habituatie zal een andere waarde aan de stimulus worden gegeven, bij
extinctie wordt de stimulus betekenisloos
B. Bij extinctie zal een andere waarde aan de stimulus worden gegeven, bij
habituatie wordt de stimulus betekenisloos
C. Bij habituatie zal geen waarde aan de stimulus worden gegeven en bij
extinctie ook niet.
D. Bij habituatie zal een andere waarde aan de stimulus worden gegeven en
bij extinctie ook.
10. Krabben in de schoft bij het paard leidt tot:
A. Verhoogde hartslag en verhoogd cortisol
B. Verhoogde hartslag en verlaagde endorfines
C. Verlaagde hartslag en verlaagd cortisol
D. Verlaagde hartslag en verlaagde endorfines
11. Likken aan elkaar bij runderen heeft:
A. Ter hoogte van de schoft dezelfde fysiologische reactie als bij paarden
B. Ter hoogte van de schoft enkel dezelfde sociale reactie als bij paarden
C. Enkel ter hoogte van de borst en de nek dezelfde sociale reactie als bij
paarden
D. Enkel ter hoogte van het hoofd dezelfde sociale reactie als bij paarden
2
, 12. Bij paarden met een maagzweer komend door kribbebijten kan het voer het
beste in de volgende volgorde worden gegeven in de morgen (waarbij
lucerne eiwit- en vezelrijk voeder is)?
A. Eerst hooi, dan krachtvoer met lucerne
B. Eerst hooi met lucerne, dan krachtvoer
C. Eerst krachtvoer met lucerne, daarna hooi
D. Eerst krachtvoer, dan hooi met lucerne
13. Bij de geboorte van biggen zullen deze als eerste:
A. Naar de snuit van de moeder toe kruipen voor bonding
B. Langs de rug van de moeder kruipen, dit is de kortste weg om als eerste bij
de voorste tepel te zijn
C. Via de buik naar de voorste tepel kruipen
D. Op een afstand van 30cm van de moeder blijven
14. Welke stellingen zijn waar?
• Stofbaden van kippen is een ethological need.
• Kippen zullen hun voer uit een bakje op de grond gooien volgens het contra-
freeloading principe.
A. Alleen 1 waar
B. Alleen 2 waar
C. Allebei waar
D. Allebei fout
15. Welke kippen zullen het meest problemen hebben met betrekking tot
voederopname:
A. Legkipmoederdieren
B. Vleeskipmoederdieren
C. Kippen in een rondeel-systeem
D. Kippen in een vrij uitloopsysteem
16. Wolven in het wild hebben een sociaal zeer sterke groep, wat is hier de
oorzaak van?
A. Ze hebben een lineaire organisatie
B. Iedereen volgt het alfa-mannetje tot in de dood
C. Het is een groep van verwante individuen
D. Teefjes en reutjes hebben een gemengde sociale hiërarchie
3