1. Présent
Gebruik je voor:
wat nu gebeurt
gewoontes
feiten
Voorbeeld:
Je travaille.
Nous habitons à Gand.
2. Passé composé
Gebruik je voor een actie die in het verleden is gebeurd en afgerond is.
avoir/être + participe passé
Voorbeeld:
J'ai travaillé.
Elle est partie.
Bij de meeste werkwoorden gebruik je avoir.
Sommige bewegingswerkwoorden gebruiken être.
3. Imparfait
Gebruik je voor:
gewoontes in het verleden
beschrijvingen
situaties
iets dat bezig was
Voorbeeld:
Quand j'étais petit, je jouais beaucoup.
Passé composé = gebeurtenis
Imparfait = achtergrond/gewoonte
4. Futur simple
Gebruik je om over de toekomst te spreken.
Voorbeeld:
Je travaillerai demain.