VIII. Het bewijs:
1. Algemeen:
Inleidende beschouwingen:
Het uitgangspunt is het beschikkingsbeginsel. Procespartijen bepalen in hun eis en verweer de
grenzen van het geding en organiseren hun eis en verweer binnen die grenzen. De rechter is
gebonden door punten waarover partijen het eens zijn en mag geen eis toewijzen of exceptie
aanvaarden op grond van een ander rechtsfeit dan het feit ingeroepen door partijen. De rechter mag
niet meer toekennen dan gevraagd is, doet hij dat toch dan doet hij uitspraak ultra petita. De partijen
bepalen de grenzen van het schil, niet de rechter. De rechter mag niet ultra petita oordelen door de
oorzaak van de vordering te wijzigen (bijv. Cassatie 27/09/2012: de rechter doet een uitspraak ultra
petita en schendt dus artikel 1138, 2° Ger.W., de rechter die aan de winnende partij een
rechtsplegingsvergoeding toekent ten belope van een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat die
partij eiste.).
De rechter is gebonden door wat de partijen komen aanleveren voor de rechter, de rol van de rechter
is dus lijdelijk, steeds wel een meer actievere rol voor de rechter. Dit is belangrijk omdat het recht van
verdediging ten allen tijde moet worden gerespecteerd.
Maar er is een evolutie naar meer actieve rechter: gedwongen overlegging van stukken en
onderzoeksmaatregelen bevelen (bijv. getuigenverhoor, deskundigenonderzoek, verhoor van
partijen…). De functie van de rechter is gewijzigd naar een meer actieve rechter, door bijvoorbeeld
onderzoeksmaatregelen te bevelen.
Onderscheid theorie/praktijk: loyauteitsplicht/medewerkingsplicht tussen partijen.
Bewijs in strafzaken? Het Openbaar Ministerie levert bewijs van misdrijf volgens het Wetboek
van Strafvordering, uitgaande van vermoeden van onschuld van de verdachte. Ik kan me als
slachtoffer wel burgerlijke partij stellen voor een schadevergoeding van de strafrechter zodat
ik mijn karretje hang aan dat van het Openbaar Ministerie: het Openbaar Ministerie doet het
werk.
Bewijs in burgerlijke zaken? Er is een gereglementeerd bewijsstelsel voor rechtshandelingen.
De basisregels staan in boek 8 BW.
Bewijs tussen en tegen ondernemingen? Dat is het vrij bewijs.
In de praktijk loop alles meer in elkaar over dan hoe het blijkt uit boek 8 BW of uit andere
rechtsregels, het bewijs wordt heen en weer uitgewisseld tussen partijen.
Wat met bewijs van rechtsregels? De rechter wordt geacht het recht te kennen. De partijen moeten
bestaan/draagwijdte van rechtsregels niet bewijzen, dit geldt ook voor vreemde recht. Internationaal
privaatrecht gaat om het bestuderen welke rechtsregels van toepassing zijn op een ‘buitenlands’
geschil, de Belgische rechter kan dan soms het vreemde recht moeten toepassen, de rechter wordt
dan geacht dat recht te kennen (de partijen moeten dat niet aanvoeren), hij moet zich daarin
verdiepen. Rechtsregels moeten niet bewezen worden.
Wat met bewijs van feiten? Deze moeten door partijen worden bewezen en er geldt een vrij bewijs.
Feiten moeten wel bewezen worden door de partijen.
1
, Bronnen van het bewijsrecht:
Het materieel bewijsrecht staat in boek 8 BW. Dit somt de regels in verband met bewijslast op
en somt bewijsmiddelen op. Het regelt toelaatbaarheid en de bewijswaarde en bevat een
hiërarchie. Materieel bewijsrecht relevant voor het domein van het verbintenissenrecht.
Formeel bewijsrecht voornamelijk in het Gerechtelijk Wetboek. Het is het bewijsprocesrecht
dat bepaalt hoe de concrete bewijsmiddelen moeten worden uitgeoefend.
Algemene beginselen:
Het recht op bewijs houdt verband met artikel 6.1. EVRM: recht op toegang tot de rechter en op
eerlijke behandeling van de zaak. Recht op bewijs houdt verband met artikel 6 EVRM. Recht op
toegang tot de rechter ruim interpreteren, als partij de mogelijkheid geven om als partij bepaalde
bewijzen aan te dragen. De rechter beslist onaantastbaar of onderzoeksmaatregel noodzakelijk is,
maar mag recht op bewijs niet schenden. Hoever moet de rechter gaan in het recht op bewijs? De
feitenrechter beslist onaantastbaar of een onderzoeksmaatregel noodzakelijk is (het is namelijk niet
altijd eenvoudig om een deskundigenonderzoek te ‘organiseren’ want men moet gaan oordelen over
een collega). Het recht op bewijs moet je laten gelden, je hebt er recht op, de feitenrechter beslist
onaantastbaar, maar het Hof van Cassatie gaat erop toezien dat de beslissing van de rechter het recht
op bewijs niet aantast/schendt.
Cassatie 10 december 2021: bouwheer vorderde schadevergoeding van architect wegens
overschrijding bouwbudget. Rechter oordeelde dat architect geen schadevergoeding was
verschuldigd omdat er ook een meerwaarde werd gerealiseerd door de budgetoverschrijding.
Vraag van bouwheer tot bijkomend deskundigenonderzoek tot schatting venale waarde werd
afgewezen. Volgens het Hof van Cassatie is dit een schending recht op bewijs.
Cassatie: geschil bouwheer en architect. Het huis blijkt duurder te zijn dan het afgesproken
bouwbudget tussen de partijen (bijv. €500.000 in plaats van €300.000). De bouwheer
dagvaardt de architect want wou schadevergoeding omdat architect contractuele
wanprestatie beging (namelijk het afgesproken bedrag overschreden). Appelrechter had dit
afgewezen omdat er een meerwaarde was, bij de verkoop zou de bouwheer meer krijgen. De
bouwheer vroeg een deskundigenonderzoek voor de marktwaarde (want niet omdat er
€200.000 meer werd uitgegeven, dat de marktwaarde ook gestegen was), maar de
feitenrechter heeft dit afgewezen: schending van recht op bewijs volgens Hof van Cassatie.
Dit is niet noodzakelijk zo, je moet het telkens in concreto gaan bekijken. Het toont gewoon
aan dat het Hof van Cassatie er controle over uitoefent.
Het bewijs moet geoorloofd zijn. Er geldt een verbod op bewijsmiddelen die op zichzelf onrechtmatig
zijn (bijv. vertrouwelijke of vervalste stukken), dit is dan ongeoorloofd ongeacht wie dit bewijs
voorlegt. Zal uit de debatten worden geweerd. Waarom zouden advocaten dit toch doen ook al weet
je dat de rechter het niet zal aanvaarden? Omdat de rechter het dan toch gezien heeft, ook al zal het
daarna uit de debatten geweerd worden. De rechter heeft er dan toch een oogje op kunnen leggen.
Er geldt een verbod op onrechtmatig verkregen bewijs (bijv. door middel van bedrog, listen,
schendingen van wet of persoonlijke levenssfeer), dit is dan ongeoorloofd wanneer het voorgelegd
wordt door diegene die verantwoordelijk is voor de onrechtmatigheid. Het bewijs kan zelf rechtmatig
zijn, maar op een onrechtmatige manier verkregen. Wat moet er dan gedaan mee worden? Wat is de
sanctie van onrechtmatig verkregen bewijs?
2