Academiejaar ’25-’26 profs’. Limberger, Markiewicz, Guéné Samenvatting
Examen: 3 essayvragen (3 lesgevers, 3 blokken) + begrippenvraag (10-tal begrippen)
Teksten ter verdieping/opheldering, geen echt studiemateriaal.
Les 1: Inleiding. 13-02
Situering: oorsprong van de cursus:
- Jaren ‘80
- Curriculum toen zeer sterk eurocentrisch
- Nieuwe cursus: Derde wereld in historisch perspectief
- Vragen: historische samenhang tussen welvaart van de Westerse industrielanden en
armoede in Derde wereld
- Wat is de rol van kolonisatie?
- Wat zijn de gevolgen vandaag?
Verdere uitbreiding:
- Cluster wereldgeschiedenis, Geschiedenis van Afrika, de Amerika’s, Zuid-Azië, China,
Japan, de Islamwereld en het Nabije Oosten.
- Vraagstelling werd verruimd: mondiale processen in historisch perspectief
- Globalisering, kapitalistisch wereldsystem, modernisering, cultuurverschil, Westerse
hegemonie
- Actuele debatten: BLM, gender, dekolonisatie, migratie, globale ongelijkheid,
fundamentalisme, …
Hoe hier een rode lijn in vinden om dit uit te werken: moderniteit in mondiale context als
kernthema.
- Wat is modern? → Niet alleen technologie, economie of cultuur, maar wel een
samenhang van al deze zaken die allen een belangrijke rol spelen.
- De zaken die hier vernoemd worden kunnen naargelang de samenleving en concrete
sociale context heel anders ingevuld worden.
1
, o Bv. secularisering niet bepalend voor moderniteit, bv. VS als ‘modern’ gezien
maar niet zo geseculariseerd zoals in België bv.
o → blijft een ambigue situatie.
- Na WOII een hoogtepunt voor het moderniseringsdenken waarbij men er echt van uitging
dat modernisering naar een betere wereld zou leiden door middel van wetenschappelijke
en technische vooruitgang, en vooruitgang van welvaart.
o Moderniseringstheorie schrijft een aantal elementen voor die als het ware een
‘voorwaarde’ zijn voor een moderne samenleving.
o Deze theorie wordt nu (in postkoloniale periode) door het Westen quasi als een
wapen gebruikt om te zeggen dat ze willen dat de hele wereld aan deze waarden
voldoet. Ze willen de wereld ‘modern’ maken en gaan daarvoor de Westerse
idealen van modernisering gaan toepassen. Dit heeft te maken met een
‘ontwikkelingspolitiek’ waarbij heel wat Europese landen aan ontwikkelingshulp
deden en deze criteria toepasten om ‘af te vinken’ in welke mate de minder
ontwikkelde gebieden (reeds) voldeden aan deze criteria. → ‘Keukenrecept om
de wereld ‘modern’ te maken’ (Westers verhaal)
Moderniteit: het (Westerse) standaardverhaal van de geschiedenis:
- Moderniteit is het centrale meta-verhaal van (westerse) geschiedenis → onderzoeken hoe
de samenleving is geëvolueerd naar de Sv. Die ze nu is, nl. de Westerse moderne
samenleving.
- Moderniteit als nieuw universalistisch project vanaf 18e E (oorsprong 16e E)
- Basis → Waarden van Verlichting
o Maakt komaf met traditionele banden (monarchie, Kerk, patriarchaat, …)
o Maakt plaats voor vooruitgang, technologie, wetenschap
- Revoluties: politieke (einde A.R. met FR), industriële, consumptie- en wetenschappelijke
o Moderne samenleving als uitkomst van een reeks revoluties.
- Natiestaat als centraal element van moderne samenleving
o Natie als drager van de staat
o In 18e E nog een niet volstreden strijd, nu in 21ste E nog steeds niet (bv. Vlaams
Belang die strijdt voor onafhankelijk Vlaanderen)
Verschillende elementen van de moderne samenleving:
- Technologie:
o Technologie bepaalt moderne samenleving
o Transport (spoorwegen, auto,…) , communicatie, informatie(revolutie)
o Wetenschap brengt technologische ontwikkeling voort.
o Industrie
o Huishouden
- Kapitalisme:
o Industriële consumptiesamenleving
o Arbeid en consumptie bepalen ritme van leven en sociale positie van het individu
(profileren en identificatie door middel van consumptie bv. merkkledij, Iphone,
luxewagens, … maar ook basisvoorzieningen natuurlijk, pas als hieraan voldaan
is komt de rest)
o ‘Commodificatie’ → alles wordt een koopwaar, bv. zelf je lichaam (OnlyFans)
2
, o Kapitalisme als economisch wereldsysteem – ‘modern world system’ (I.
Wallerstein)
o 20ste E sterk door natiestaat bepaald, later globalisering (multinationals,
financiële markten, …)
- Natiestaat:
o Ontstaat tijdens 19e E
o Streeft naar monopolie van politieke macht
o Heeft grote invloed op alle levensaspecten: rechtspraak, politie, economie,
opvoeding, gezondheidszorg, …
o Drager en maker van nationale identiteit
o Deel van internationaal systeem → land staat niet alleen. Na wereldoorlogen
ingezet op internationaal systeem (ook zwakke en sterke staten, wat bv. voor
oorlogen zorgt)
o In concurrentie met supranationale spelers en regionale belangengroepen (bv.
Vlaams belang vs. België) (regionalisme)
- Discours (moderniteit als discours, afgezien van het zien van moderniteit als een ‘feit’ dat
we kunnen meten a.d.h.v. parameters):
o Mary Louise Pratt: moderniteit als ‘discourse of identity’ (2002)
o Modernity as Representation: ‘A narrative of temporal transformation’, how some
people became modern (and others not). (Cooper, 2005)
o Een narratief dat we als een kwalitatief kenmerk claimen ‘ik ben/wij zijn modern’
en ook ‘moderner dan de andere’.
- Moderniteit: een ambigu concept:
o Concept staat voor vooruitgang, streven naar welvaart, optimisme
o MAAR, complexe samenleving, vol onzekerheid
o Modernisering gaat parallel met gevoel van verlies van traditie, het authentieke,
‘disenchantment’ → zorgt voor streven naar geborgenheid, ‘de goede oude tijd’
o Ferguson: moderniteit als een sociale hiërarchie (de positieve kanten van
moderniteit zijn alleen toegankelijk voor geprivilegieerde groepen → niet voor
iedereen in zelfde mate toegankelijk, in andere gebieden die deze privileges niet
hebben wordt de moderniteit niet zo positief ervaren als bij ons)
o Moderniteit is nooit absoluut, staat in wisselwerking met tradities,
tegenstromingen, kritieken, …
▪ Zie tekst J. Ferguson, ‘Decomposing modernity’.
- Kritiek:
o Marxisme: kapitalisme zorgt voor vervreemding van gemeenschap, werk en zelf
o Max Weber: moderne samenlevingen worden gekenmerkt door rationalisering;
traditionele waarden en emoties maken plaats voor efficiëntie en berekening.
Bureaucratie is de meest rationele vorm van organisatie, met hiërarchie, regels
en gespecialiseerde functies
o Ca. 1960-70’s; Frankfurt-school (Horkheimer, Adorno, Habermas): individu is
gevangen in commodificatie (wordt in kapitalisme gedwongen), industrieel
kapitalisme en algemene uniformisering van de wereld
o Postmodernisme (‘80’s): na hoogtepunt van moderniteit
▪ Kritiek op dominant discours over moderniteit (deconstructie)
▪ Subalterne kritiek (vanuit niet-westerse gebieden, vanuit het perspectief
van sociale en culturele groepen die eerder als marginaal worden
aanzien) aan Westerse hegemonie (zie S. Hall, D. Chakrabarty)
3
, ▪ Fragmentatie, fusion, interculturaliteit
▪ M. Foucault: overheersing door ‘totale instituties’ (zie Weber)
- Michel Foucault (1926-1984);
o Macht en kennis: Kennis wordt gevormd door machtsstructuren, macht wordt in
stand gehouden door de controle over kennis.
o Discourse: een systeem van kennis en taal, bepaalt wat als waarheid wordt
beschouwd en geeft zo vorm aan onze perceptie van de werkelijkheid.
o Biopolitiek en Gouvernementaliteit: moderne staten reguleren het leven
(biopolitiek) via instellingen, normen en beleidsmaatregelen.
o ‘Discipline en straffen’: instellingen (gevangenissen, scholen, ziekenhuizen)
gebruiken toezicht en discipline om individuen te controleren.
o Archeologie van de Kennis: historische verschuivingen in kennissystemen
▪ Waanzin vs. Gezond verstand, geconstrueerde en gemarginaliseerde
concepten
o Macht is niet absoluut, zij roept altijd verzet op, en individuen construeren hun
eigen identiteit binnen machtsstructuren.
- Postmoderniteit:
o Men probeert het homogene discours van moderniseren te doorprikken en te
deconstrueren.
Moderniteit: een mondiaal proces:
Trachten zichtbaar maken dat modernisering geen uniform proces is, dat waar dan ook ter
wereld hetzelfde is. Veel hangt af van plaats, sociale klasse, beleefde historische evolutie e.d.
- Vanuit Europees perspectief: ontstaan in West-Europa
o Modernisering = lineaire ontwikkeling (overheersend discours)
o MAAR grote regionale verschillen: Europa =/= Azië/Afrika/Amerika
▪ Verschil Europa vs. Kolonies, centrum vs. Periferie, Oostblok/westen,
stad vs. Plateland
o Modernisering verloopt verschillend → verschillende historische trajecten die de
vorm van moderniteit mee bepalen.
- Modernisering = resultaat van historische processen
De tijdlijn van moderniteit in Europa:
- Opkomst: vroegmoderne oorsprongen (renaissance, humanisme, reformatie) → vooral
intellectueel
4