Hoofdstuk 1 – Inleiding (geen leerstof)
× Statistiek? … Statistiek!
× Wanneer gebruik je statistiek? Wat is statistiek?
→ dagelijks: vb. grootwarenhuizen houden via klantenkaart gekochte
producten, gespendeerde bedragen, betalingswijzen, … bij.
→ statistiek = verzamelen, bewerken, interpreteren en presenteren
van kwantitatieve (cijfermatige) gegevens
× Wat is het nut van statistiek?
→ vb. grootwarenhuizen gebruiken informatie voor gepersonaliseerde
reclamefolders.
→ middel om doel te bereiken, geen doel op zich!
→ statistiek = instrument om vragen te beantwoorden en resultaten
bruikbaar te maken
× Soorten statistiek
Beschrijvende statistiek
= gegevens ordenen, samenvatten en presenteren
Kansberekening
= op basis van een theoretische verdeling de kans bepalen dat een bepaalde gebeurtenis
plaatsvindt
Verklarende statistiek
= om bepaalde verwachtingen te toetsen en resultaten breder toe te passen
× Fasen in onderzoek
,× Fase III – Analyse
Kwalitatief of kwantitatief onderzoek
Kwantitatief (onderwerp van deze cursus)
→ je maakt een samenvatting van verzamelde gegevens (steekproef)
→ je toetst een aantal verwachtingen over de populatie (hypothesen)
→ keuze van de geschikte statistische methode hangt af van verschillende factoren
(meetniveau!)
→ doel is om je conclusie te verbreden naar de populatie (kansen)
Zijn gevonden resultaten toevallig of niet?
Kwalitatief
→ geen cijfermatige gegevens
→ als aanvulling op kwantitatief onderzoek
, Hoofdstuk 2 – Beschrijvende Stati sti ek: één variabele
Leerdoelen
Je kan het meetniveau van een variabele bepalen en je kan op basis daarvan statistische
keuzes maken.
Je kan frequentietabellen (maken in SPSS en) interpreteren.
Je kan grafieken (maken in SPSS en) interpreteren.
Je kan centrum- en spreidingsmaten berekenen en interpreteren.
× Meetniveaus
Variabele = kenmerk, kan verschillende waarden aannemen
Meetniveau of meetschaal = de aard van een variabele of van je gegevens (= realisaties van
een variabele)
> dus aan de hand van de gegeven variabelen kun je beslissen wat het meetniveau/schaal is
> er zijn vier verschillende meetniveaus/schalen:
I. Nominaal
= de laagste, kwalitatieve meetschaal
vb. vakantiebestemming, lievelingseten, beroep, postcode
→ gegevens bestaan uit enkele losse categorieën (groepen)
→ niets ‘ertussenin’, discreet (beperkt aantal waarden)
→ je kan er niet mee rekenen (cijfers = codes)
→ frequenties/percentages berekenen kan wel (tellen)
Speciale nominale gegevens
- Dichotoom = slechts 2 mogelijkheden
vb. kop/munt, …
- Dummy’s = lijst met meerdere antwoordmogelijkheden (meerkeuzevraag)
vb. hobby’s, sporten, …
• dummy = 1 (aangevinkt) / 0 (niet aangevinkt)
• elke keuze wordt dummy
II. Ordinaal
= tweede kwalitatieve meetschaal
vb. waardering (slecht-matig-goed), salarisschaal, …
→ nominaal + rangorde (logische volgorde)
→ je kan er nog steeds niet mee rekenen (cijfers = codering)
→ je kan wel midden bepalen van gerangschikte gegevens
Speciale ordinale gegevens
- Likert-items: mening over een bepaald onderwerp
• keuze van 1 (= helemaal oneens) tot 7 (= helemaal eens)
• in praktijk toch scores optellen, uitmiddelen, …
, III. Interval
= laagste, kwantitatieve meetschaal (cijfermatig)
vb. temperatuur in graden Celsius, uur op de klok, …
→ getalwaarden (je kan ermee rekenen)
→ ordinaal + zinvolle intervallen (‘afstanden’) tussen waarden
→ discreet (tot een bepaalde waarde) of continu (oneindig veel waarden)
→ geen natuurlijk nulpunt (verhoudingen niet zinvol)
Speciale intervalgeschaalde gegevens
- Likertschaal: combinatie (som, gemiddelde) van Likert-items
• gecombineerde variabele heeft meer mogelijke waarden
• betekenisvol? niet eender wat combineren!
IV. Ratio
= hoogste, kwantitatieve meetschaal (cijfermatig)
vb. aantal werkuren/week, inkomen (in euro), …
→ interval + betekenisvolle verhoudingen (vb. ‘dubbel zoveel’)
→ er is natuurlijk nulpunt aanwezig
HIERARCHIE MEETSCHALEN: van zwakste (nominaal) naar sterkste (ratio):
OPMERKINGEN:
- in deze cursus maken we geen onderscheid tussen Interval en ratio = metrisch
> in SPSS: nominal, ordinal and scale (interval en ratio)
- de meetschaal kan veranderen (vb):
leeftijd = metrisch (ratio)
→ opdelen in leeftijdscategorieën (−25, 25–50, 50+)
→ leeftijd = ordinaal
- de meetschaal bepaalt welke statistische methoden toepasbaar zijn