III. De werkloosheidsverzekering:
1. Schets van de historische ontwikkeling:
Laatste decennia 19e eeuw:
Vakbonden richten kassen op ter toekenning uitkeringen werkloze arbeiders, gefinancierd uit
bijdragen aangesloten arbeiders. In de 19 de eeuw ligt de kiem van de werkloosheidsverzekering.
België is een bloeiende industriële staat waarbij de werkdagen 14 uur per dag duurde. Het was een
dagloonsysteem waarbij iedereen stond te wachten voor de poort waarbij de werkgever kon
beslissen wie er kwam werken. Er was een werkboekje als permanente evaluatie met evaluaties over
je werk. Harde sociale concurrentie en grote kans dat je voor een dag geen werk had. Geen werk
betekent geen dagloon en dus geen geld om voedsel te kopen. Op het platteland niet echt een
probleem want daar kan je het uit je grond halen, maar in de steden wel als je geen geld hebt. In deze
context beginnen groepen van werknemers zichzelf te organiseren: eerst de christelijke organisatie en
dan de sociale organisatie. De vakbonden beginnen een systeem uit te werken (geïnspireerd op de
maatschappijen van onderlinge bijstand) waarbij men op het einde van de week geld kon geven aan
de vakbondskas. Dit kon gebruikt worden voor de leden die aangesloten waren maar die niet gekozen
werden om te gaan werken. Je kon een uitkering krijgen dat je hielp in nood. De arbeidersbeweging
probeert zichzelf te behelpen wat zal leiden tot de verplichte werkloosheidsverzekering. De kas werd
opgericht door de arbeiders zelf.
Navolgende toekenning toelagen lokale en provinciale overheden, toekenning rijkstoelagen sedert
1900. Tegen de eeuwwisseling ziet de overheid in dat de vakbondskas voor minder sociale onvrede
zorgt. Vanaf de eeuwwisseling komen er toelagen aan de kassen zodat als er momenten van
werkloosheid zijn dat je uit de kassen krijgt en de overheid zorgt ervoor dat je een beetje meer krijgt.
Begin 20e eeuw:
Toenemende werkloosheid tijdens WOI: vakbonden erkend als uitbetalingsinstellingen uitkeringen,
functioneren kassen wordt problematisch. In de 20 ste eeuw een beweging naar organisatie van de
werkloosheidsverzekering, maar met vallen en opstaan. Tijdens WOI blijft het systeem van kassen
bestaan, maar de Duitsers leggen de productie plat dus werkloosheid. De vakbondskassen krijgen een
officieel statuut als uitbetalingsinstanties. Dit zorgt voor een toename van syndikeren. Maar sommige
risico’s zijn niet rendabel te dekken zoals werkloosheid (men kan enkel betalen als men het geld heeft
en uitkeren is als men geen geld meer heeft). Het systeem stuikt in elkaar.
1920: inrichting facultatieve werkloosheidsverzekering en Nationaal Crisisfonds. In 1920 een
Crisisfonds samen met facultatieve verzekering. Het Crisisfonds moet uitbetaling waarborgen wiens
vakbondskas onderuit is gegaan. Garantie op de uitbetaling (die nog steeds gebeurt door de kassen
waar men vrijwillig kan aansluiten).
1933: eerste omstandige werkloosheidsreglementering. De overheid financiert en gaat dus mee de
regels bepalen (voorwaarden oprichting, voorwaarden uitkering, …). Bemoeien met de
uitkeringsprestaties waardoor het privé-initiatief vermengd geraakt met het overheidsinitiatief.
1
, 1936: verdeeldheid over inrichting verplichte werkloosheidsverzekering leidt tot aanstelling Koninklijk
Commissaris voor de Werkloosheid. Men wil het systeem verder perfectioneren en dus alle arbeiders
er mee inbrengen. De sector mag niet bepalen of je een uitkering krijgt. Voor een minimale last moet
elke beroepsactieve zich aansluiten. Maar men geraakt het niet eens (christelijk <-> socialisten). Het
dossier wordt geparkeerd en doorgegeven tot de Koninklijk Commissaris (die bij het Sociaal Pact een
rol speelt). Men maakt een verplichte verzekeringen en de vakbonden blijven uitbetalingsinstellingen.
Uitbreken WOII verhindert afwikkeling wetgevend werk. Maar WOII breekt uit.
Besluitwet 28 december 1944:
Voorziet oprichting voorlopig steunfonds:
- Ter financiering uitkeringen voor onvrijwillig werklozen, toegekend via onder meer
gemachtigde kassen vakbonden. Het Fonds wordt gespijsd met bijdragen werknemers én
werkgevers alsook rijkstoelagen. Men moet wachten tot de besluitwet vooraleer er een
verplichte verzekering is. Een oprichting van een steunfonds om de uitkering voor onvrijwillig
werklozen te financieren en te garanderen. De vakbonden mag nog uitbetalen, maar het
fonds staat erachter voor het beheer. De werkgevers gaan naast de toelagen en de
werknemers ook moeten bijdragen.
- Taken inzake beroepsherscholing en arbeidsbemiddeling. Het krijgt een taak dat vandaag ook
nog van belang is voor de werkloosheidsverzekering. Je wil de werklozen niet enkel een
tijdelijke vervangende uitkering geven, maar er ook voor zorgen dat de situatie opgelost
geraakt. Soms is er een nieuwe opleiding voor vereist. Je wil de mensen scholen en plaatsen
op de plaats waar de arbeid nodig is. Dit wordt geplaatst bij de werkloosheidssteun.
Uitvoering wettelijke principes overgelaten aan uitvoerende macht: regentsbesluit van 26 mei 1945
richt fonds in en regelt werking. De principes van de besluitwet worden overgelaten aan de regent die
een besluit neemt en de principes in reglementering giet. De essentie van de werkloosheidsuitkering
ligt vast in de besluitwet en de reglementering die in het kader daarvan is aangenomen.
Naoorlogse evolutie:
Verdere ontwikkeling en aanpassing van het georganiseerde stelsel:
- Jaren ‘50: systematische verhoging van de forfaitaire werkloosheidsuitkeringen. De
werkloosheidsverzekering gaat evolueren naar verruiming van bescherming. De
oorspronkelijke forfaitaire bedragen worden vergroot waardoor de bescherming toeneemt.
- Jaren ’60: inrichting huidige Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (“RVA”); invoering
maatregelen ter schorsing en sanctionering uitkeringsgerechtigden. Het voorlopig steunfonds
wordt opgeheven en vervangen door de RVA (zoals het RIZIV die het beheer van de
verzekering waarneemt met daaronder de private instellingen maar dan voor de
werkloosheid).
- Jaren ’70: forfaitaire uitkeringen vervangen door inkomensgerelateerde uitkeringen. Van de
forfaitaire wettelijk vastgestelde bedragen overgestapt naar de inkomensgerelateerde (een
percentage van het verloren inkomen als een uitkering).
2
, Genese en ontwikkeling van het zogenaamde “brugpensioenen”:
Het systeem van de werkloosheidsuitkering blijft bestaan en de brugpensioenen komen erbij.
- Ontstaan als remedie tegen werkloosheid in jaren ’70: oudere, nog niet pensioengerechtigde
werknemers krijgen werkloosheidsuitkering + aanvullende vergoeding werkgever. Een andere
techniek die komen zijn de brugpensioenen. Brugpensioenen hebben niets te maken met
pensioenen, maar met werkloosheid. Het is een bijzondere techniek binnen de
werkloosheidsuitkering. In de jaren 70 begint de werkloosheid toe te nemen die de jonge
bevolking trof. Men had de remedie om de oudere werknemers te laten afvloeien die bijna
op pensioen waren en dan maken ze plaats voor de jongere werknemers. De ouderen zouden
het niet aanvaarden want ze waren nog niet op pensioen. Het systeem van brugpensioen was
dat de ouderen die ontslagen waren hun werkloosheidsuitkering krijgen en een aanvullende
vergoeding. Ze werden ontslagen dus ze vielen terug op een percentage van hun inkomen als
werkloosheidsuitkering en het verschil werd gedekt door de werkgever tot aan het pensioen.
Het is een werkloosheidsuitkering met een aanvullende uitkering tot je loon van de
werkgever tot aan je pensioen.
- Kentering in jaren ‘80: verstrenging voorwaarden leeftijd en anciënniteit + vervangingsplicht
werkgevers. De werkgevers gingen het massaal gebruiken maar dat was ook niet de
bedoeling. De oudere werknemers waren er niet tegen want ze stoppen met werken en ze
verdienen hetzelfde. De werkgevers waren blij want de dure werknemers waren buiten en de
jonge werknemers kwamen binnen. De overheid zag het budget in de werkloosheidsuitkering
ontploffen dus verstrengen van de voorwaarden. Als je een oud persoon naar buiten stuurt
op brugpensioen dan moet je een jong persoon terug aannemen.
Resultaat: meer oudere werknemers gewoon werkloos; vakbonden beijveren voordelig statuut
“oudere werklozen” (anciënniteitstoeslag en vrijstelling passende arbeid); navolgende genese
zogenaamde “Canada Dry - pensioenen” (aanvullende vergoeding werkgever). Een groot deel aan
oude werknemers die op straat werden gezet maar niet meer binnen de voorwaarden van het
brugpensioen vielen dus enkel werkloosheidsuitkering kregen. De vakbonden wouden een
vergoeding voor de oudere werknemers die nu niet meer binnen de voorwaarden vielen. De
werkgevers besluiten terug een vergoeding te geven ook al vielen ze het buiten het brugpensioen
waardoor er een schijnbrugpensioen kwam. Opnieuw een impact op het budget en het
overheidsbeleid gaat zich strenger gedragen over de toepassing van het brugpensioen.
Kentering beleid: graduele afbouw stelsel:
- “Wet Generatiepact” (2005):
o Tempering gebruik brugpensioen bij herstructurering (plicht tot voorafgaandelijk
onderzoek wedertewerkstelling). Ze moeten een tewerkstellingscel hebben om te
kijken of ze aan de voorwaarden voldoen en of ze niet elders kunnen werken.
o Verdere afstemming voorwaarden brugpensioen op voorwaarden
werkloosheidsuitkering (“werkloosheid met bedrijfstoeslag” (SWT))
- Recentste regelgeving: KB 5 september 2025 beoogt SWT verder uit te faseren: beperkt
toepassingsgebied, stelt strengere leeftijds- en loopbaanvoorwaarden, heft bepaalde
regelingen op.
3