Hoofdstuk 1: de beginsituatie en doelen stellen
Onderwijsleerproces -> vertrekpunt en een doelstelling
- Er is een kloof tussen het doel en de beginsituatie
- Door middel van het onderwijsleerproces wil men die kloof
overbruggen
Onderwijsleersituatie
- Aspecten die de beginsituatie mede bepalen:
Materiaal
Groepssfeer
Accommodatie
Groepsgrootte
Achtergrond/beperking leering
Motivatie
Positie in de groep
Leerstijl
Zelfstandigheid
Niveau
…
Inhoud van de beginsituatie:
, - Constante factoren:
Lesgever
Aard en samenstelling van de groep
Voorwaardenstructuur
- Actuele gegevens van de groep en van de individuele kinderen
Motorische vaardigheden
Inspanningsmogelijkheden en draagkracht van de leerlingen
Plezier en motivatie
Medische gegevens
Kennis en inzicht van de leerinhoud
Constante factoren: lesgever
- Eigen kunnen
- Pedagogische kwaliteiten
- Organisatorische kwaliteiten
- Ervaring
- Onderwijsvisie
- Leerstijl
- …
Constante factoren: aard en samenstelling van de groep
- Groepsgrootte
- Leeftijd
- Sociaal milieu
- Belevingswereld
- Buitenbeentjes
- Leerstijl
- …
Constante factoren: voorwaardenstructuur
- Concrete omgeving
Locatie
Accommodatie
Materiaal
EHBO
…
Toepassing: kinderen met overgewicht
- Aerobe activiteiten, grote spiergroepen, groot energieverbruik
(loopspelen, dansen, zwemmen)
, - Gewichtsdragende activiteiten vermijden bij zwaar overgewicht (bvb
springen)
- Krachtoefeningen
- Ademhalings- en houdingsoefeningen
- Evenwichts- lenigheids- en coördinatieoef
- Nieuwe activiteiten (succesbeleving!!)
Doelen stellen
Doelstelling = een bewering, die vertelt wat van de lerende verwacht
wordt, nadat hij/zij met een goed resultaat de leerervaring heeft
doorgemaakt
- Een doelstelling is een beschrijving van een gedragspatroon
(kwalitatief /kwantitatief) dat de leerling moet kunnen tonen als hij /zij
zegt de doelstelling te hebben bereikt
Taakdoelen: gericht op het correct uitvoeren van taken
- Vb. wanneer we in balbezit zijn, de bal snel naar flankspelers spelen
- Vb. voorwaarts instappen bij heet spelen van de backhand
1. Correcte bewegingstechnieken aanleren – De
kinesitherapeut helpt de patiënt bij het correct uitvoeren van
specifieke revalidatieoefeningen om de juiste
bewegingspatronen aan te leren en blessures te voorkomen.
2. Functionele mobiliteit verbeteren – De kinesitherapeut richt
zich op het verbeteren van de dagelijkse mobiliteit van de
patiënt, zoals traplopen, zitten en opstaan, door middel van
gestructureerde oefenprogramma's.
Prestatiedoelen: gericht op het verbeteren van prestaties en resultaten
, - Intrapersoonlijke vooruitgang
Toenaderingsgericht
Vermijding
- Interpersoonlijke norm
Toenaderingsgericht
Vermijding
1. Verhogen van spierkracht en stabiliteit – De patiënt moet binnen acht
weken een toename van 20% in spierkracht bereiken in het aangedane
lichaamsdeel, gemeten via gestandaardiseerde krachttests.
2. Verbeteren van de loopsnelheid en uithoudingsvermogen – De
patiënt moet zijn wandelsnelheid verhogen van 3 km/u naar 4 km/u en
zonder onderbreking 30 minuten kunnen lopen binnen een
revalidatieperiode van drie maanden.
Taakdoelen -> prestatiedoelen
Resultaatsdoelen: gericht op het eindresultaat van de behandeling
- Winnen van een tegenstrever
- Beter doen dan een clubgenoot
1. Pijnreductie met minimaal 50% binnen zes weken – De
patiënt ervaart een vermindering van pijnklachten, gemeten met
een visuele analoge schaal (VAS), waardoor dagelijkse
activiteiten comfortabeler worden
2. De patiënt kan het revalidatiecentrum verlaten.
- Deze doelstellingen focussen op meetbare en concrete resultaten die
het succes van de therapie aantonen
Doelstelling SMART formuleren:
- Specifiek – is de doelstelling eenduidig?
- Meetbaar – onder welke voorwaarden of vorm is het doel bereikt?
- Acceptabel – is deze acceptabel voor de doelgroep?
- Realistisch – is het doel haalbaar?
- Tijdsgebonden – wanneer moet het doel bereikt zijn?