Algemene psychologie
Definitie psychologie
de wetenschappelijke studie van het gedrag en de mentale activiteit van de individu.
Daarbij staan de factoren binnen de persoon en de omgeving centraal
• doel: gedrag begrijpen en verklaren
• verklaring zoeken in de persoon zelf of in omgevingsfactoren
wetenschappelijke psychologie en intuïtieve psychologie
intuïtieve mensenkennis/gezond verstand is niet hetzelfde als op een wetenschappelijke
manier naar het menselijk gedrag kijken
intuïtieve mensenkennis Wetenschappelijke psychologie
= alle inzichten die we opdoen in de loop Zelfde doel als die van de intuïtieve
van het leven uit ervaringen die we
opdoen met andere of met onszelf = ontdekken hoe gebeurtenissen
• kennis gebruiken we onbewust (we onderling samenhangen om zo iets te
weten hoe de mens reageert op kunnen voorspellen
bepaalde situaties en we
gebruiken die kennis zonder er Alleen wetenschappelijk krijgt het etiket
teveel over na te denken in het empirisch (met zintuigen kunnen
dagelijkse leven) waarnemen)
bv, we weten dat iemand kwaad kan
worden als we die persoon irriteren Beide lopen parallel = Beide baseren zich
- sommige inzichten halen we uit op ervaringsgegevens
ervaringen en andere worden van
generatie op generatie
doorgebracht (opvoeding en taal)
verschillen
kenmerken intuïtieve inzichten:
= toevallig, subjectief, alledaagse leven
Kenmerken wetenschappelijk gegevensverzamelen:
= objectief, systematisch, gecontroleerde situaties
1
,Intuïtief - oppervlakkig
- één keer voorkomen voldoende om verband te zien
- eenvoudig (stelt men geen vragen bij, en gaat men
niet verder dan het eenvoudig samenstellen van een
samenhang (te weinig tijd of interesse om op zoek te
gaan naar een diepere achtergrond))
- niet gecontroleerd of het allemaal wel klopt
Wetenschappelijk - resultaat van een methodisch onderzoek
- inkaderen in bredere theorie om een diepere
verklaring te vinden
- empirische toetsing (herhaald kunnen worden)
Objectieve vaststelling Subjectieve indrukken
→ moet herhaald in de psychologie is het minder evident om hiervoor
kunnen worden door instrumenten te gebruiken en dan is men verplicht om af te
iedere onderzoeker en gaan op subjectieve indrukken
gecontroleerd worden • bv, de originaliteit van een kunstwerk benoemen
→ niet persoonlijk of
subjectief (eigen = intersubjectiviteit: in hoeverre verschillende waarnemers
mening is niet voor onafhankelijk van elkaar tot eenzelfde mening komen →
iedereen hetzelfde) alleen datgene dat overeenkomt kan in aanmerking komen
= objectiviteitsbeginsel
instrumenten:
bloeddruk meters,
thermometer
Op welke wijzen kan een psychologisch onderzoek gegegvens verzamelen
natuurlijke observaties van buitenaf registreren van het te bestuderen fenomeen
(bv, achter een scherm iemand observeren)
participerende van binnen uit observeren + meedoen aan de activiteit
observaties
ongestructureerd in gesprek gaan op een open manier, zonder vragenlijst →
interview kan dingen te weten komen die je niet had verwacht
gestructureerd Informatie krijgen door een reeks voor opgestelde vragen
interview - vragen vergelijken met andere
vragenlijst Informatie krijgen door een reeks voor opgestelde vragen
die schriftelijk beantwoord moet worden
gebruik van databanken Je kan gegevens vinden in bestaande data banken
2
, (als onderzoeker geïnteresseerd in slaagpercentage tussen
jongens en meisjes → vind je in de databank van de school)
fysiologische metingen snelheid hartslag, snelheid ademhaling, stress, zweten
psychologische testen Gedrag aspecten zo objectief mogelijk geobserveerd
worden en geanalyseerd worden
Systematische observaties en gecontroleerde situaties
systematische - representativiteit (voor een hele groep) + aantal
observaties observaties
- toevallige steekproef → nemen als een mogelijke
observatie
gecontroleerde - storende factoren (bv, waterpeil is elke dag anders door
situaties de temperatuurschommeling en windkracht)
- factor uitschakelen → vaak laboratoriumomstandigheden
Verschillende methoden
methodisch - beschrijvende methode
werken - verkennende methode
- correlatie
=je kiest de methode die afhankelijk is van de vraag die hij wilt
beantwoorden , als de controle die hij heeft over de situatie
beschrijvende = brengt een situatie in kaart zoals die is (kwalitatief en kwantitatief
methode (grafieken)
Kwalitatief van aard → verbaal schrijven van fenomenen dat
onderzocht word
Bij voorkeur word er gebruik gemaakt van gevalstudies (een of
meerdere mensen worden diepgaand geobserveerd → levert
hypotheses op die daarna terug onderzocht worden → maar blijft
subjectief en beperkt op een aantal gevallen
- kleine steekproef
3
, verkennende Onderzoeken van samenhangen en verschillen tussen fenomenen
methode
- Gegevens verzamelen van een grote groep individuen
(kwantitatief of kwalitatief)
→Variabele: kenmerken dat de verschillende
verschijningsvormen aanneemt (geslacht, leeftijd,
inteligentieniveau,…)
verband tussen 2 variabelen
• positief verband (beide variabelen nemen toe of nemen af)
• negatief verband (1 variabele neemt toe en de andere neemt
af)
• nul verband (geen verband → geen lijn maar overal een stip)
je kan nooit een verband leggen met een correlatie want er zal nog
een factor zijn
bv, agressieve film zien dus agressief worden (fout)
bv, positief correlatie tussen het gewicht en het inkomen
verklarende Gebaseerd op het systematisch manipuleren van één of meer
methode variabelen, waarvan het effect op een andere variabele wordt
nagegaan
- Het cijfermateriaal dat hieruit voortkomt wordt statistisch
verwerkt → kwantitatieve methode
bv, positieve correlatie tussen kijken naar agressieve films en
agressief gedrag → we weten nog niet de richting van die samenhang
(bv, factor van agressief gedrag? kiezen agressieve mensen dit soort
films?) daardoor moet er een experiment opgezet worden
soort Hebben mogelijkheden en beperkingen
onderzoek
beschrijvende + → kan interessante hypotheses opleveren
-→ maar blijft subjectief
4
Definitie psychologie
de wetenschappelijke studie van het gedrag en de mentale activiteit van de individu.
Daarbij staan de factoren binnen de persoon en de omgeving centraal
• doel: gedrag begrijpen en verklaren
• verklaring zoeken in de persoon zelf of in omgevingsfactoren
wetenschappelijke psychologie en intuïtieve psychologie
intuïtieve mensenkennis/gezond verstand is niet hetzelfde als op een wetenschappelijke
manier naar het menselijk gedrag kijken
intuïtieve mensenkennis Wetenschappelijke psychologie
= alle inzichten die we opdoen in de loop Zelfde doel als die van de intuïtieve
van het leven uit ervaringen die we
opdoen met andere of met onszelf = ontdekken hoe gebeurtenissen
• kennis gebruiken we onbewust (we onderling samenhangen om zo iets te
weten hoe de mens reageert op kunnen voorspellen
bepaalde situaties en we
gebruiken die kennis zonder er Alleen wetenschappelijk krijgt het etiket
teveel over na te denken in het empirisch (met zintuigen kunnen
dagelijkse leven) waarnemen)
bv, we weten dat iemand kwaad kan
worden als we die persoon irriteren Beide lopen parallel = Beide baseren zich
- sommige inzichten halen we uit op ervaringsgegevens
ervaringen en andere worden van
generatie op generatie
doorgebracht (opvoeding en taal)
verschillen
kenmerken intuïtieve inzichten:
= toevallig, subjectief, alledaagse leven
Kenmerken wetenschappelijk gegevensverzamelen:
= objectief, systematisch, gecontroleerde situaties
1
,Intuïtief - oppervlakkig
- één keer voorkomen voldoende om verband te zien
- eenvoudig (stelt men geen vragen bij, en gaat men
niet verder dan het eenvoudig samenstellen van een
samenhang (te weinig tijd of interesse om op zoek te
gaan naar een diepere achtergrond))
- niet gecontroleerd of het allemaal wel klopt
Wetenschappelijk - resultaat van een methodisch onderzoek
- inkaderen in bredere theorie om een diepere
verklaring te vinden
- empirische toetsing (herhaald kunnen worden)
Objectieve vaststelling Subjectieve indrukken
→ moet herhaald in de psychologie is het minder evident om hiervoor
kunnen worden door instrumenten te gebruiken en dan is men verplicht om af te
iedere onderzoeker en gaan op subjectieve indrukken
gecontroleerd worden • bv, de originaliteit van een kunstwerk benoemen
→ niet persoonlijk of
subjectief (eigen = intersubjectiviteit: in hoeverre verschillende waarnemers
mening is niet voor onafhankelijk van elkaar tot eenzelfde mening komen →
iedereen hetzelfde) alleen datgene dat overeenkomt kan in aanmerking komen
= objectiviteitsbeginsel
instrumenten:
bloeddruk meters,
thermometer
Op welke wijzen kan een psychologisch onderzoek gegegvens verzamelen
natuurlijke observaties van buitenaf registreren van het te bestuderen fenomeen
(bv, achter een scherm iemand observeren)
participerende van binnen uit observeren + meedoen aan de activiteit
observaties
ongestructureerd in gesprek gaan op een open manier, zonder vragenlijst →
interview kan dingen te weten komen die je niet had verwacht
gestructureerd Informatie krijgen door een reeks voor opgestelde vragen
interview - vragen vergelijken met andere
vragenlijst Informatie krijgen door een reeks voor opgestelde vragen
die schriftelijk beantwoord moet worden
gebruik van databanken Je kan gegevens vinden in bestaande data banken
2
, (als onderzoeker geïnteresseerd in slaagpercentage tussen
jongens en meisjes → vind je in de databank van de school)
fysiologische metingen snelheid hartslag, snelheid ademhaling, stress, zweten
psychologische testen Gedrag aspecten zo objectief mogelijk geobserveerd
worden en geanalyseerd worden
Systematische observaties en gecontroleerde situaties
systematische - representativiteit (voor een hele groep) + aantal
observaties observaties
- toevallige steekproef → nemen als een mogelijke
observatie
gecontroleerde - storende factoren (bv, waterpeil is elke dag anders door
situaties de temperatuurschommeling en windkracht)
- factor uitschakelen → vaak laboratoriumomstandigheden
Verschillende methoden
methodisch - beschrijvende methode
werken - verkennende methode
- correlatie
=je kiest de methode die afhankelijk is van de vraag die hij wilt
beantwoorden , als de controle die hij heeft over de situatie
beschrijvende = brengt een situatie in kaart zoals die is (kwalitatief en kwantitatief
methode (grafieken)
Kwalitatief van aard → verbaal schrijven van fenomenen dat
onderzocht word
Bij voorkeur word er gebruik gemaakt van gevalstudies (een of
meerdere mensen worden diepgaand geobserveerd → levert
hypotheses op die daarna terug onderzocht worden → maar blijft
subjectief en beperkt op een aantal gevallen
- kleine steekproef
3
, verkennende Onderzoeken van samenhangen en verschillen tussen fenomenen
methode
- Gegevens verzamelen van een grote groep individuen
(kwantitatief of kwalitatief)
→Variabele: kenmerken dat de verschillende
verschijningsvormen aanneemt (geslacht, leeftijd,
inteligentieniveau,…)
verband tussen 2 variabelen
• positief verband (beide variabelen nemen toe of nemen af)
• negatief verband (1 variabele neemt toe en de andere neemt
af)
• nul verband (geen verband → geen lijn maar overal een stip)
je kan nooit een verband leggen met een correlatie want er zal nog
een factor zijn
bv, agressieve film zien dus agressief worden (fout)
bv, positief correlatie tussen het gewicht en het inkomen
verklarende Gebaseerd op het systematisch manipuleren van één of meer
methode variabelen, waarvan het effect op een andere variabele wordt
nagegaan
- Het cijfermateriaal dat hieruit voortkomt wordt statistisch
verwerkt → kwantitatieve methode
bv, positieve correlatie tussen kijken naar agressieve films en
agressief gedrag → we weten nog niet de richting van die samenhang
(bv, factor van agressief gedrag? kiezen agressieve mensen dit soort
films?) daardoor moet er een experiment opgezet worden
soort Hebben mogelijkheden en beperkingen
onderzoek
beschrijvende + → kan interessante hypotheses opleveren
-→ maar blijft subjectief
4