• Begrippen:
◦ Cel
‣ is een gespecialiseerde eenheid binnen een groter geheel
◦ Weefsels
‣ Bestaat uit cellen met dezelfde eigenschappen en functies die samen
werken
◦ Organen
‣ Meerdere weefsels
• De cel als basiseenheid
◦ De cel is de basiseenheid van alle leven
◦ Meer dan 200 verschillende soorten cellen in het menselijk lichaam
◦ Eigenschappen cel
‣ Elke cel heeft eigenschappen die aangepast zijn aan zijn functie
‣ Deze ontstaan wanneer een cel differentieert
• Celdifferentiatie
◦ Differentiatie
‣ Een cel ontwikkelt specifieke eigenschappen waardoor ze geschikt
worden voor een bepaalde functie
◦ De cellen verschillen daardoor in:
, ◦ De cellen verschillen daardoor in:
‣ Grootte
‣ Vorm
‣ Inhoudelijke samenstelling
• Stamcellen
◦ Pluripotente stamcellen
‣ Stamcellen die ontstaan uit de zygote dochtercellen na de bevruchting
‣ Ze kunnen:
• Uitgroeien tot ieder soort humane cel
• Verder differentiëren tot multipotente/adult stamcellen
‣ Zygote
• De eerste cel die ontstaat na de versmelting van een zaadcel/eicel
• Deelt zich later in 2 dochtercellen
◦ Multipotente stamcellen
‣ Kunnen alleen nog differentiëren tot cellen van een bepaald weefseltype
‣ Vb: Hemopoëtische stamcellen
• Kunnen verschillende soorten bloedcellen vormen maar geen spiercel
◦ Unipotente stamcellen
‣ Kunnen slechts 1 celtype vormen
‣ Vb: een stamcel die alleen een bepaald type bloedcel kan vormen
• Vorm en functie van een cel
,• Vorm en functie van een cel
◦ De uiteindelijke vorm en inhoud van een cel hangen samen met haar functie
◦ Vb: zenuwcel
‣ Kan zeer lang zijn, omdat ze zenuwsignalen over grote afstanden moet
kunnen doorgeven
A. Innerlijk milieu van een cel
• Iedere cel bevat een celkern (nucleus) en een cytoplasma
• Cytoplasma
◦ Cytoplasma = verzamelterm voor:
‣ De celorganellen
‣ Het cytosol
• Cytosol
◦ Cytosol
‣ Een stroperige vloeistof in de cel
‣ Wordt gesheiden van de extracellulaire vloeistof door het celmembraan
◦ Bevat
‣ Opgeloste voedingstoffen
‣ Ionen
‣ Proteïnen
‣ Afvalstoffen
, ‣ Afvalstoffen
B. De celorganellen
• Cel wordt begrensd door een plasmamembraan en bevat verschillende
celorganellen
◦ Celorganellen
‣ Onderdelen van een cel die elk hun eigen functie hebben
‣ Zorgen samen ervoor dat de cel goed functioneert
• Nucleus of celkern
◦ Nucleus (wordt ook wel de commandocentrum van de cel genoemd)
‣ Is het grootste celorganel
◦ Bevat:
‣ Chromosomen
‣ Informatie om de cellulaire activiteiten te coördineren
• Ribosomen
◦ Ribosomen
‣ Kleine celorganellen die instaan voor de productie van eiwitten
‣ Bewegen eerst vrij in het cytoplasma
◦ Wanneer de eiwitsynthese start