• Het plasmamembraan (celmembraan)
◦ Is de buitenste laag van de cel
◦ Bestaat uit een fosfolipedendubbellaag met daarin eiwitten
• Bouw van de fosfolipidendubbellaag
◦ De belangrijkste bestanddelen van het plasmamembraan zijn de
fosfolipeden
◦ Fosfolipiden bestaan uit
‣ Polaire kop geladen/polaire regio (hydrofiel/water aantrekkend)
‣ Apolaire staarten lange vetzuurketens (hydrofoob/water afstotend)
◦ De fosfolipiden vormen samen een dubbellaag
‣ De polaire koppen richten zich naar het water
• Bovenste laag naar het extracellulaire vloeistof buiten de cel
• Onderste laag naar het cytosol binnen de cel
‣ De apolaire staarten
• Richten zich naar elkaar toe
• Liggen centraal in het membraan
◦ Dit komt door verschillende aantrekkingskrachten
‣ Polaire koppen watermoleculen aantrekkingskracht door polariteit
‣ Apolaire staarten elkaar vanderwaalskrachten
◦ Vanderwaalskrachten
-> <->->
<-> -> ->
, ◦ Vanderwaalskrachten
‣ Aantrekkingskracht tussen apolaire koolwaterstofgroepen van de
vetzuren
◦ Beweging van fosfolipiden
‣ Fosfolipiden zijn meestal niet chemisch membraanproteïnen of aan
membraanproteïnen
‣ Hierdoor kunnnen
• Fosfolipiden onafhankelijk van elkaar bewegen
◦ Vloeibaar karakter van het membraan
‣ Apolaire staarten kunnen heen en weer bewegen
‣ Hierdoor gedraagt de fosfolipidendubbellaag zich als een vloeistof
◦ Flexibiliteit van het plasmamembraan
‣ Door het vloeibaar karakter is het plasmamembraan flexibel
‣ Daardoor kan de cel een beetje van vorm veranderen
• Zonder het membraan te beschadigen
• De functionele proteïnen in de plasmamembraan
◦ Membraan proteïnen hebben elk hun eigen functie
◦ Zijn onderverdeeld in 2 grote klassen
‣ Integrale en perifere membraanproteïnen
◦ Integrale membraanproteïnen
‣ Zijn amfiliel (hebben een polaire en apolaire kant)
• Organiseren zich hetzelfde als de fosfolipiden
‣ Transmembrane proteïnen
, ‣ Transmembrane proteïnen
• Integrale membraanproteïnen die het hele membraan overspannen
◦ Perifere membraanproteïnen
‣ Zijn niet amfiliel (hebben geen apolair deel)
‣ Maken daarom geen contact met de apolaire staarten in de
membraankern
‣ Bevinden zich
• Aan het oppervlak van het membraan
◦ Buitenkant van het plasmamembraan aan kant van het cytosol
‣ Zijn gebonden aan
• Polaire delen van fosfolipiden
• Polaire delen van integrale membraanproteïnen
• Glycocalyx
◦ Laag koolhydraatketens die uitsteken in de extracellulaire vloeistof
◦ Deze koolhydraten zijn covalenent gebonden aan:
‣ Membraanlipiden: glycolipiden
‣ Membraanproteïnen: Glycoproteïnen
‣ De koolhydraten
• Bestaan uit korte ketens monosachariden
◦ Functie van de glycocalyx
‣ Zorgt ervoor dat het lichaam lichaamsvreemde cellen kan afbreken en
herkenen
• Vb: bacteriën herkennen en afbreken