WERKCOLLEGES PID
samenvatting
CASUS 1
1.1 kennisclips : PROBLEEMGESTUURD ONDERWIJS EN DE
ZEVENSPRONG
PROBLEEMGESTUURD ONDERWIJS (PGO)
In groepen van 4 wordt gewerkt aan een casus:
o De gespreksleider: zorgt voor een gestructureerd verloop vh gesprek
o Notulist: maakt aantekeningen vh gesprek
o Tutor: helpt bij procesbegeleiding tijdens het werken aan de casus
Binnen het probleemgestuurd onderwijs wordt er gestart met een casus
uit de alledaagse praktijk
Groep lost dit op adhv zevensprong
DE ZEVENSPRONG
Stap 1: verduidelijk onduidelijke termen en begrippen
Nagaan of iedereen de begrippen hetzelfde interpreteert
Stap 2: probleemdefinitie
essentie vd probleemtaak + kernachtige formulering vh probleem
Stap 3: probleemanalyse / brainstorm
Verschijnselen in casus + verklaringen -> notulist noteert deze dmv
trefwoorden
Stap 4: Inventarisatie en uitdieping van verklaringen van het
probleem
Clusteren : De opmerkingen, vragen en antwoorden die de notulist in
kernwoorden heeft opgeschreven worden geordend
Stap 5: Formuleer leerdoelen
Leerdoelen worden geformuleerd als gerichte vragen die
aansluiten bij de geformuleerde probleemstelling
Stap 6: Zelfstudie
Stap 7: Rapportage
synthetiseren en toetsen v verworven kennis
,Casus 1: openheid
probleemdefinitie: Hoe varieert openheid ifv situatie, context en plaats? (openheid deel v big
five*)
Probleem analyse :
naam Interindividuele verschillen Intraindividuele verschillen
Lindsey Open nr vrienden toe (praat met Thuis minder open (hangt dus v situatie
hen over moeilijkheden op af)-> strenge ouders, slechte band met
school en verliefdheid) hen
Ella Uitbundig, spontaan en open Vanwege leeftijdsverschil grootouder
(goede band met vrienden) minder open thuis; wel open op
jeugdbeweging en kot
Helena open Open in alle situaties (geneert of
schaamt zich niet snel)
Simon gesloten Deelt minder met ouders thuis dan in
jeugdbeweging, meestal gewoon
gesloten
Raf Zelfstandig, neutraal deelt zn gevoelens als hij zelf niet tot
oplossing komt, het hangt er vanaf wat
z’n probleem is
Theoretische achtergrond:
Interindividuele verschillen: relatief stabiele verschillen tussen mensen, in hoe ze zich
doorgaans voelen
- Verschillen tussen mensen in de emoties die ze ervaren
Intra-individuele verschillen: mensen verschillen sterk in emoties die ze ervaren van de
ene situatie op de andere (emotionele schommelingen over de tijd)
- Verschillen binnen mensen
- Verschillen binnen mensen van het ene moment op het andere
Nomothetische trekkenpsychologie: HE persoon is belangrijkste:
o Nomothetische trekken voorspellen gedrag (in elke situatie)
o Consistentie van gedrag (bv. altijd extravert)
(Situationisme (Sociale psychologie): HE situatie is het belangrijkste)
o Bv. als mensen een slang in het bos zien lopen ze allemaal weg
Interactionisme: interactie tussen beide (situatie & nomothetische trekken) is het belangrijkste->
interactie persoon en situatie, hoe ze reageren in functie v situatie
*The big 5:
O: openheid/intellect : open voor nieuwe ervaringen
C: gewetensvolheid : punctueel, stevige sociale relaties
E: extraversie/introversie : sociale levendigheid en dominantie
A: vriendelijkheid/vijandigheid : conflictresolutie en agressie
N: neuroticisme/emotionele stabiliteit : negatieve/positieve stemming, (on)stabiele relaties, stress,
laag/hoog zelfsysteem
,inventarisatie: grafiek opstellen, bv:
openheid
hoo
g
situati
laag
e
Hoe grafiek af te lezen?:
Interindividuele verschillen: nr 1 stuatie kijken (thuis, jeugdbeweging, kot) en vergelijk versch
personen binnen deze situatie
Intraindividuele verschillen: nr 1 persoon kijken en het verloop v die persoon zijn grafiek/ lijn en
vergelijk het niveau in de versch situaties
Leerdoelen: Hoe verschillen ze in persoonlijkheid/ thuissituatie/ openheid?
Rapportage: (zie probleem analyse)
Conclusie: er zijn interindividuele verschillen
, CASUS 2
2.1 k e n n i s c l i p : DE CORRELATIE
Correlatie= samenvattende maat voor het verband tussen 2 kwantitatieve variabelen
- Bv: r(vrienden, geluk/depressie)
Gemiddelde v variabele X
Formule: en Y
Delen door product v
standaarddeviaties vr elke variabele
omdat het tussen -1 en +1 moet
blijven
Valkuilen:
probleem v directionaliteit (wat verklaart wat?)
toeval v verband
3e factor (dat doet lijken dat er een verband is)
verbanden:
Positief verband: (r>0) hoge score op de ene variabele hangt samen met hoge score op de
andere variabele en omgekeerd
Stijgende rechte (pos verband)
Hoe dichter de punten bij de
rechte hoe sterker de correlatie
Negatief verband: (r<0) hoge score op de ene variabele hangt samen met lage score op de
andere variabele, en omgekeerd
Dalende rechte (neg verband)
Hoe dichter de punten bij de
rechte hoe sterker de correlatie
Nul verband: (r=0) er is geen verband tussen de variabelen
Horizontale rechte (geen
verband)
Gem afstand vd punten tot de
rechte is relatief groot, correlatie
ligt dicht tegen nul
2.2 k e n n i s c l i p : DE GEGEVENSKUBUS
Correlatie kan je berekenen tussen 2 personen, variabele of situaties; over 2 personen,
variabele of situaties; binnen 1 persoon, variabele of situatie
, Obv alle mogelijke combinaties v persoon, variabele of situatie enerzijds en tussen, over en
binnen anderzijds, kan je 6 soorten correlaties vinden
Gegevens die we verzamelen kan je plaatsen in de gegevenskubus (opgebouwd uit 3
dimensies: personen, variabele en situaties/ tijdstippen)
Elk blokje representeert
datapunt voor 1 vd
mogelijke combinaties
persone
n
situatie
variabel
voor tijdstip/ situatie:
O-correlatie
= mate waarin twee situaties een gelijkaardig patroon v reacties uitlokt bij 1 persoon (binnen 1
persoon tussen 2 situaties over variabelen)
P-correlatie
= mate waarin 2 variabelen bij 1 persoon gelijk lopen over versch situaties heen (binnen 1
persoon tussen 2 variabelen over situaties)
Q-correlatie
= mate waarin 2 personen een gelijkaardig patroon van reacties vertonen in 1 situatie (binnen
1 situatie tussen 2 personen over variabelen)
samenvatting
CASUS 1
1.1 kennisclips : PROBLEEMGESTUURD ONDERWIJS EN DE
ZEVENSPRONG
PROBLEEMGESTUURD ONDERWIJS (PGO)
In groepen van 4 wordt gewerkt aan een casus:
o De gespreksleider: zorgt voor een gestructureerd verloop vh gesprek
o Notulist: maakt aantekeningen vh gesprek
o Tutor: helpt bij procesbegeleiding tijdens het werken aan de casus
Binnen het probleemgestuurd onderwijs wordt er gestart met een casus
uit de alledaagse praktijk
Groep lost dit op adhv zevensprong
DE ZEVENSPRONG
Stap 1: verduidelijk onduidelijke termen en begrippen
Nagaan of iedereen de begrippen hetzelfde interpreteert
Stap 2: probleemdefinitie
essentie vd probleemtaak + kernachtige formulering vh probleem
Stap 3: probleemanalyse / brainstorm
Verschijnselen in casus + verklaringen -> notulist noteert deze dmv
trefwoorden
Stap 4: Inventarisatie en uitdieping van verklaringen van het
probleem
Clusteren : De opmerkingen, vragen en antwoorden die de notulist in
kernwoorden heeft opgeschreven worden geordend
Stap 5: Formuleer leerdoelen
Leerdoelen worden geformuleerd als gerichte vragen die
aansluiten bij de geformuleerde probleemstelling
Stap 6: Zelfstudie
Stap 7: Rapportage
synthetiseren en toetsen v verworven kennis
,Casus 1: openheid
probleemdefinitie: Hoe varieert openheid ifv situatie, context en plaats? (openheid deel v big
five*)
Probleem analyse :
naam Interindividuele verschillen Intraindividuele verschillen
Lindsey Open nr vrienden toe (praat met Thuis minder open (hangt dus v situatie
hen over moeilijkheden op af)-> strenge ouders, slechte band met
school en verliefdheid) hen
Ella Uitbundig, spontaan en open Vanwege leeftijdsverschil grootouder
(goede band met vrienden) minder open thuis; wel open op
jeugdbeweging en kot
Helena open Open in alle situaties (geneert of
schaamt zich niet snel)
Simon gesloten Deelt minder met ouders thuis dan in
jeugdbeweging, meestal gewoon
gesloten
Raf Zelfstandig, neutraal deelt zn gevoelens als hij zelf niet tot
oplossing komt, het hangt er vanaf wat
z’n probleem is
Theoretische achtergrond:
Interindividuele verschillen: relatief stabiele verschillen tussen mensen, in hoe ze zich
doorgaans voelen
- Verschillen tussen mensen in de emoties die ze ervaren
Intra-individuele verschillen: mensen verschillen sterk in emoties die ze ervaren van de
ene situatie op de andere (emotionele schommelingen over de tijd)
- Verschillen binnen mensen
- Verschillen binnen mensen van het ene moment op het andere
Nomothetische trekkenpsychologie: HE persoon is belangrijkste:
o Nomothetische trekken voorspellen gedrag (in elke situatie)
o Consistentie van gedrag (bv. altijd extravert)
(Situationisme (Sociale psychologie): HE situatie is het belangrijkste)
o Bv. als mensen een slang in het bos zien lopen ze allemaal weg
Interactionisme: interactie tussen beide (situatie & nomothetische trekken) is het belangrijkste->
interactie persoon en situatie, hoe ze reageren in functie v situatie
*The big 5:
O: openheid/intellect : open voor nieuwe ervaringen
C: gewetensvolheid : punctueel, stevige sociale relaties
E: extraversie/introversie : sociale levendigheid en dominantie
A: vriendelijkheid/vijandigheid : conflictresolutie en agressie
N: neuroticisme/emotionele stabiliteit : negatieve/positieve stemming, (on)stabiele relaties, stress,
laag/hoog zelfsysteem
,inventarisatie: grafiek opstellen, bv:
openheid
hoo
g
situati
laag
e
Hoe grafiek af te lezen?:
Interindividuele verschillen: nr 1 stuatie kijken (thuis, jeugdbeweging, kot) en vergelijk versch
personen binnen deze situatie
Intraindividuele verschillen: nr 1 persoon kijken en het verloop v die persoon zijn grafiek/ lijn en
vergelijk het niveau in de versch situaties
Leerdoelen: Hoe verschillen ze in persoonlijkheid/ thuissituatie/ openheid?
Rapportage: (zie probleem analyse)
Conclusie: er zijn interindividuele verschillen
, CASUS 2
2.1 k e n n i s c l i p : DE CORRELATIE
Correlatie= samenvattende maat voor het verband tussen 2 kwantitatieve variabelen
- Bv: r(vrienden, geluk/depressie)
Gemiddelde v variabele X
Formule: en Y
Delen door product v
standaarddeviaties vr elke variabele
omdat het tussen -1 en +1 moet
blijven
Valkuilen:
probleem v directionaliteit (wat verklaart wat?)
toeval v verband
3e factor (dat doet lijken dat er een verband is)
verbanden:
Positief verband: (r>0) hoge score op de ene variabele hangt samen met hoge score op de
andere variabele en omgekeerd
Stijgende rechte (pos verband)
Hoe dichter de punten bij de
rechte hoe sterker de correlatie
Negatief verband: (r<0) hoge score op de ene variabele hangt samen met lage score op de
andere variabele, en omgekeerd
Dalende rechte (neg verband)
Hoe dichter de punten bij de
rechte hoe sterker de correlatie
Nul verband: (r=0) er is geen verband tussen de variabelen
Horizontale rechte (geen
verband)
Gem afstand vd punten tot de
rechte is relatief groot, correlatie
ligt dicht tegen nul
2.2 k e n n i s c l i p : DE GEGEVENSKUBUS
Correlatie kan je berekenen tussen 2 personen, variabele of situaties; over 2 personen,
variabele of situaties; binnen 1 persoon, variabele of situatie
, Obv alle mogelijke combinaties v persoon, variabele of situatie enerzijds en tussen, over en
binnen anderzijds, kan je 6 soorten correlaties vinden
Gegevens die we verzamelen kan je plaatsen in de gegevenskubus (opgebouwd uit 3
dimensies: personen, variabele en situaties/ tijdstippen)
Elk blokje representeert
datapunt voor 1 vd
mogelijke combinaties
persone
n
situatie
variabel
voor tijdstip/ situatie:
O-correlatie
= mate waarin twee situaties een gelijkaardig patroon v reacties uitlokt bij 1 persoon (binnen 1
persoon tussen 2 situaties over variabelen)
P-correlatie
= mate waarin 2 variabelen bij 1 persoon gelijk lopen over versch situaties heen (binnen 1
persoon tussen 2 variabelen over situaties)
Q-correlatie
= mate waarin 2 personen een gelijkaardig patroon van reacties vertonen in 1 situatie (binnen
1 situatie tussen 2 personen over variabelen)