Alle levenden organismen delen gemeenschappelijke fundamentele eigenschappen:
Cellulaire organisatie: elk organisme bestaat uit 1 of meer cellen
Gevoeligheid voor stimuli: reageren op stimuli (extern en intern)
Groei: alle levende organismen hebben een metabolisme
Ontwikkeling: gengestuurde veranderingen voor groei en maturatie
Reproductie: organismen vermenigvuldigen, geven genen door
Regulatie: alle organismen zetten regulatorische mechanismen in om interne
processen te coördineren
Homeostase: onderhoud van relatief constante interne condities, verschillend van
omgeving
Erfelijkheid: genetisch systeem gebaseerd op de replicatie van DNA -> evolutie
Organismen opgedeeld in 3 groepen:
Archea , Bacteria , Eukarya
Virussen zijn GEEN levende organismen:
-> kunnen enkel reproduceren binnen een levende cel (gastheer)
-> kunnen alle drie domeinen van leven infecteren
-> parasitaire chemicaliën, bestaande uit DNA of RNA
-> geen cel, wel een VIRION
Virussen zijn obligaat intracellulaire parasieten maar kunnen kieskeurig zijn:
- Host range = types geïnfecteerde organismen
- Weefseltropisme: specifiek een bepaalde cel aanvallen
Virussen kunnen slapend of latent zijn: je bent geïnfecteerd en je weet het niet
(begin kanker) of het kan continu opnieuw terugkomen (HIV)
, Opbouw van een virus: nucleïnezuren omgeven door een capsid
⁃ nucleïnezuur kan DNA/RNA, enkel/dubbel, circulair/lineair zijn
⁃ Binnenin capsid : enzymen
Vele dierlijke virussen zijn omgeven door een enveloppe
Vormen van virussen:
⁃ Helicaal = spiraalvormig
⁃ Icosahedraal = regelmatige, veelvlakige structuur
- positief sense RNA: rechtstreeks mRNA
- negatief sense RNA: moet eerst omgezet worden naar
complementair RNA
- retrovirussen gebruiken reverse transciptase om RNA
om te zetten naar DNA
Virussen zijn heel specifiek:
Als je een dubbele streng DNA hebt -> omzetten naar mRNA
Als je een enkelvoudige streng DNA hebt -> eerst nog een streng maken ->dan omzetten
naar mRNA