HOOFDSTUK 1: ALGEMEEN 1 pagina + zie extra blad
…
Meercellige organismen = eukaryoot
Dieren
Planten
Metazoa Macro-
o Helminthen organismen
Spoelworm
Lintworm
o Arthropoda
, Schimmels (fungi)
o Penicillium op voedingsbodem
o Trichophyton: oppervlakkige mycose Micro-
o Aspergillus: diepe mycosen organismen
Algen (wieren)
Eencellige organismen = eukaryoot (behalve bacteriën)
Bacteriën = prokaryoot
Gisten
o Candida albicans: commensaal, soms pathogeen (spruw, diepe
mycose)
o Cryptococcus neoformans: duivenmelkersziekte
Protozoa
o Sporozoa
Plasmodium
o Flagellaten
Trypanosoma (flagel)
o Amoeben
Entamoeba (schijnvoetjes)
o Ciliaten
Virussen = geen cellen!
Algemeen:
- Eukaryoot = kern met kernmembraan (DNA in kern)
- Prokaryoot = geen kern (DNA in cytoplasma) (celwand aanwezig)
- Virus = geen cel (DNA in eiwitmantel)
Virus < eencellig organisme (bacterie) < meercellig organisme (planten-
en dierencel)
HOOFDSTUK 2: BACTERIE 2 pagina’s
Celwand
Opgebouwd uit peptidoglycaan
= peptiden + aminosuikers
= elke peptide gekoppeld met aminosuiker
Heel dik = gram-positief (meerlagig peptidoglycaan)
Heel dun = gram-negatief (2/3 lagen peptidoglycaan)
Functie: vorm en stevigheid + voorkomt te veel wateropname
+ fysieke barrière en filter + bescherming tgn schadelijke stoffen
, Celmembraan
Opgebouwd uit dubbele laag fosfolipiden & membraaneiwitten
(actief transport)
= fosfaatgroep + vetzuren (lipiden)
= hydrofiel polair gedeelte + lipofiel apolair gedeelte
Binnenste = gram-positief (1 celmembraan)
Binnenste en buitenste = gram-negatief (2 celmembranen (met
periplasmatische ruimte tussen))
Functie me.: transport vn moleculen (binnen nr buiten en omg.)
(energie vr nodig)
Cytoplasma
Opgebouwd uit water (80%) & bouwstenen (az, lipide, suiker, ion …)
& enzymen
& genetisch materiaal (DNA, RNA) & ribosomen (eiwitsynthese)
DNA RNA eiwit
o RNA = tussenstap vn DNA nr eiwit
o mRNA = w gebruikt eiwitproductie
o rRNA = w gebruikt ribosomenproductie
o Ribosomen = helpen bij eiwitproductie
Chromosoom
Opgebouwd uit DNA
in vorm vn: nucleoïde (want niet in kern)
= opeenstapeling chromosomen
= circulair & sterk opgevouwen & dubbelstrengig
Plasmide
Opgebouwd uit DNA
= circulair
(Bevat genen die) bacterie resistent maken tgn antibiotica
Via conjugatie: snelle verspreiding (plasmide) vn ene bacterie nr
andere
Toxines (laten) produceren voedselvergiftigingen
Algemeen: