Inhoudstafel
Juridische Argumentatieleer...................................................................................1
Hoofdstuk 1 — Redeneren..................................................................................1
1.1. Cognitieve achtergrond............................................................................ 1
1.2. Bouwstenen van redeneringen...............................................................10
1.3. Soorten redeneringen.............................................................................15
1.4. Structurele redeneringen........................................................................32
Hoofdstuk 2 — Argumenteren..........................................................................45
Inleiding......................................................................................................... 45
2.1. Begripsomschrijving............................................................................... 47
2.2. Opbouw van argumentaties: het betoog................................................51
2.3. Deugdelijk argumenteren.......................................................................57
2.4. Argumentatieschema’s..........................................................................65
2.5. Enkele argumenten die vaak onterecht overtuigen — ‘drogredenen’.....80
Hoofdstuk 3 — Juridisch argumenteren............................................................90
3.1. Inleiding.................................................................................................. 90
3.2. Begripsomschrijving............................................................................... 91
3.3. Juridische betogen (in het Belgische recht)............................................93
3.4. Twee visies op de bronnen van het recht..............................................103
3.5. Juridische argumentatieschema’s.........................................................119
Hoofdstuk 1 — Redeneren
1.1. Cognitieve achtergrond
1.1.1. Mens als dier met sterke cognitieve capaciteiten
De menselijke cognitieve capaciteiten zijn het resultaat van een evolutionair
proces. Ons redeneervermogen is geen zuiver rationeel, losstaand systeem,
maar biologisch verankerd.
Volgens Paul MacLean, in zijn The Triune Brain in Evolution, bestaat het brein uit
drie evolutionair opgebouwde lagen:
1. Het reptielachtig brein (de oudste laag):
o Hersenstam en cerebellum
, o Regelt:
spierbeweging
evenwicht
autonome functies (ademhaling, hartslag)
o Kenmerken:
rigide gedrag
obsessief
compulsief
2. Het oude zoogdierenbrein (limbisch systeem):
o Amygdala
o Hippocampus
o Hippothalamus
o Functies:
emoties
motivatie
stressrespons
geur
leren en geheugen via beloning — hippocampus
3. Het recente zoogdierenbrein (neocortex):
o Cognitie
o Abstract denken
o Logisch redeneren
o Bewuste besluitvorming
Omdat ons brein geëvolueerd is om snel en efficiënt te reageren, is het vatbaar
voor beïnvloeding — het is manipuleerbaar
Dit ligt aan de basis van het concept ‘nudging’ uit het werk Nudge van Thaler &
Sunstein:
Gedrag sturen zonder formele dwang
Inspelen op automatische denkpatronen
Kan zowel problematisch als maatschappelijk nuttig zijn
o het kan mensen helpen om betere beslissingen te nemen
1.1.2. Systeem 1- en Systeem 2-denken
Daniel Kahneman onderscheidde twee denkmodi om te begrijpen wat ons gedrag
bepaalt: Systeem 1 en Systeem 2.
1. Systeem 1 — snel en intuïtief denken:
o Kenmerken:
Automatische vaardigheden
vaak onbewust
associatief
werkt met geleerde patronen
o.b.v. snelle indrukken denken en handelen
taal intuïtie
routinehandelingen
o Voordelen:
, efficiënt — het werkt snel en met weinig mentale
inspanning, wat handig is voor routinebeslissingen
detecteert sneller mogelijk gevaar en stuurt een
onmiddellijke reactie aan
intuïtie / buikgevoel gericht op veiligheid en het
herkennen van dreiging
bv. “als we een luide brul horen, kunnen we er
misschien maar beter van uitgaan dat het een leeuw
is, ook al hebben we technisch gezien onvoldoende
informatie om dat met zekerheid te kunnen
concluderen”
coherent kader dat een samenhangend , betekenisvol
verhaal creëert uit losse prikkels
rationeel omgaan met frustratie — emotie beheersen,
impulscontrole, plannen
automatisering van vaardigheden door oefening
o Nadelen:
gevoelig voor bias
verbanden zijn regelmatig onjuist
overhaaste conclusies
neiging tot coherentie, zelfs wanneer feiten dat niet
rechtvaardigen
bv. Piet ging skiën en brak een been — niet
noodzakelijk een causaal verband
complottheorieën kunnen zo ontstaan
o Stuurt meeste van onze handelingen en gedrag
o Vaardigheden uit het reptielen en limbisch brein
o Voorbeelden:
lezen
autorijden
routinehandelingen
gevaar inschatten
2. Systeem 2 — traag en analytisch denken:
o Kenmerken:
vereist inspanning en aandacht
bewust — bewuste keuzes (nadenken over wat te doen)
logisch redeneren
rekenen en plannen
impulscontrole
ideeën ordenen
o Systeem 2 overruled soms Systeem 1
Systeem 1 ≠ emotie
Systeem 2 ≠ rede
beide systemen bevatten zowel emotionele als rationale
componenten
het verschil zit in snelheid, mate van controle en inspanning
Door ervaring en herhaling worden bewuste handelingen automatisch. Dit noemt
men inslijting, waarbij men een overgang maakt van Systeem 2 naar Systeem 1.
, De keerzijde hiervan is de ‘curse of knowledge’ — wanneer kennis
vanzelfsprekend wordt, is deze vaak moeilijker om over te dragen, wat een
probleem vormt in het onderwijs en juridische communicatie
1.1.3. Het brein als verbanden leggende machine
Het brein legt spontaan verbanden tussen allerlei soorten informatie zoals
concepten, gebeurtenissen, stellingen, personen en eigenschappen. Dit gebeurt
via Systeem 1.
Dit gebeurt snel, automatisch en associatief.
Er gebeurt hier conceptverruiming door verminderde blootstelling — hoe
minder ervaring men heeft met een bepaald concept, hoe ruimer men dat
concept gaat definiëren er is een onderliggende dynamiek die op alle
concepten van toepassing
Systeem 2 neemt actieve controle van verbanden.
Bij Systeem 1 zijn er vier centrale verbanden:
1. Voorwaardelijke verbanden;
2. Via-verbanden (‘metonymieën’);
, 3. Causale verbanden; en
4. Als-het-ware-verbanden (‘metaforen’)
A. Voowaardelijke verbanden
Voorwaardelijke verbanden bevatten een bepaalde zin / uitspraak (‘propositie’)
die een voorwaarde vormt voor een andere propositie volgens de structuur:
Als …, dan … — als propositie 1 waar is, dan is propositie 2 ook waar.
Bv. “als het 16u is, dan begint de les”
Dit type verband ligt aan de basis van juridische normen:
Als feiten X , dan volgt het rechtsgevolg Y.
B. Via-verbanden (‘metonymieën’)
Via-verbanden gebruiken een entiteit (vehikelentiteit) om mentale toegang te
krijgen tot een andere entiteit (doelentiteit) waarmee ze nauw verbonden is.
De kenmerken van via-verbanden:
Zelfde conceptueel domein
Aangrenzendheid
Etiketwissel
Neutrale vervanging
Doel: mentale toegang verschaffen
Metonymie is op zich niet problematisch, maar kan gevaarlijk worden bij
overgeneralisatie.
Er zijn verschillende soorten metonymiën:
1. Deel – Geheel:
o Verbanden leggen tussen een deel en een geheel:
Eigenschap deel geheel doortrekken:
“Mijn fiets is stuk.” (enkel fietsbel stuk)
“Er zijn te veel monden om te voeden.”
Mond = deel van persoon.
Eigenschap geheel deel doortrekken:
“Bouwvakkers drinken meer alcohol dan
sportmannen.”
Aanname: bouwvakker Karel drinkt meer dan
sportman Jan.
2. Oorzaak – Gevolg:
o Twee gebeurtenissen in oorzakelijk verband plaatsen:
“Hij zit vol met rimpels” hij is ouder geworden
“De wachtrij staat tot buiten” het is druk
“De straat is nat” het heeft geregend
3. Producent – Product:
o Naar de producent verwijzen i.p.v. het product: